Rommelige steden: hoe te streven naar meer spontaniteit in de geplande stad?


Wat verstaan we onder levendige en leefbare steden? Welke gebouwen, activiteiten en groepen zijn daarbij wel of niet gewenst? En is dit door deskundige professionals van bovenaf te plannen en te reguleren of is het vooral een kwestie van ruimte laten aan initiatieven van onderop? De antwoorden op die vragen bepalen uiteindelijk hoe onze steden er uit zien en aanvoelen: netjes en overzichtelijk, rauw en spannend of van alles wat. In het boek
Messy Cities spreken tal van auteurs hun voorkeur uit en zoeken ze de balans tussen de geplande en geleefde stad. In dit artikel een samenvatting en recensie van deze verhalenbundel over flexibele planning, gecontroleerde spontaniteit, geordende chaos en gezellige rommeligheid.

This article is also available in English

Steden en wijken zijn er in alle soorten en maten. Op dit blog gaat het vaak over de verschillen tussen en de samenkomst van de geplande en geleefde stad. De stad die aan de ene kant van bovenaf wordt bedacht, ontworpen en ingericht door professionals en die aan de ander kant pas smoel krijgt door de manier waarop bewoners, ondernemers en anderen die stad gebruiken, beleven, ervaren en vooral invullen. Hoewel dit een theoretische tweedeling is, heb je soms het gevoel dat je je iets meer in de ene dan in de andere wereld begeeft, zoals ik onlangs had in Londen. 

Levendig
Niets zo lekker als het struinen door steden. Zo ook toen ik twee jaar geleden in de Engelse hoofdstad was. Onderweg naar Camden Market verliet ik aan het eind van de ochtend het metrostation Camden Town waar ik werd verwelkomd door een voortreffelijke straatmuzikant. Nadat ik al zittende op de rand van een plantenbak had genoten van zijn gitaarkunsten en van de diversiteit aan mensen die aan mij voorbijtrokken, liep ik vervolgens Camden High Street af waar ik - in een door laagbouw gedomineerd gebied met brede straten - werd getrakteerd op een grote variatie aan kleurrijke gevels en street art. Iedere winkeleigenaar heeft hier zijn of haar creativiteit de vrije loop gelaten en probeert er op die manier uit te springen. Naast de gekleurde gevels klonk er uit iedere winkel muziek (waarschijnlijk net iets boven de toegestane norm) en stonden de stoepen vol met producten (waardoor je soms op straat moet lopen). Doordat ook nog eens alle deuren wijd open staan, lijkt iedere winkel - en eigenlijk het hele gebied - te schreeuwen ‘wees welkom’. Niet alleen de diversiteit aan gevels is groot, maar ook het winkelaanbod met zijn vele speciaalzaken. Een stukje verderop werden nog meer van mijn zintuigen geprikkeld toen ik Camden Lock Market opliep dat eruitziet als een foodtruck festival met tal van kleine verkoopstandjes met eten van over de hele wereld, tot Nederlandse poffertjes aan toe. De vele verschillende eetgeuren houden daarbij een wedstrijdje om als eerste je neus binnen te dringen. Die culturele diversiteit vond ik vervolgens ook terug in de oude industriegebouwen achter de markt waar zich nog meer eetgelegenheden, winkels en ateliers bevinden. Een gebied met andere woorden dat men kan omschrijven als een “melting pot of music, fashion, experiences and food”. 

Camden High Street (Londen)

Netjes
Later die dag nam ik de metro naar King’s Cross station om daar een blik te werpen op de stedelijke herontwikkeling van een gebied dat de laatste twintig jaar een behoorlijke make-over heeft gehad. Of in de woorden van de projectontwikkelaars van King’s Cross Estate: “How this once derelict area has been transformed into a vibrant new part of London”. Het is knap hoe de commerciële partijen het hier is gelukt om de criminaliteit te laten afnemen en nieuwe werkgelegenheid en bewoners aan te trekken door de bouw van grote kantoorpanden en luxe appartementen. Het ziet er allemaal netjes en modern uit, maar bruisend voelde het voor mij niet aan. Langs Kings Boulevard staan een aantal statige nieuwe bedrijfspanden, gehuisvest door onder andere Google en Universal Music. Hoogbouw met hier en daar kolossale pilaren en eenvormige gevels. Dit harde uiterlijk wordt op de begane grond enigszins verzacht door de groenvoorzieningen en waterpartijen die er strak en goed onderhouden bij liggen. Dat geldt ook voor Granary Square, een groot stenen plein met 1.000 gechoreografeerde fonteinen en betonnen bankjes. Naast dit plein ligt Coal Drops Yards dat gerenoveerd is tot een nieuw winkelcentrum met tal van boetiekzaken. Hier staan geen verkoopspullen of reclame-uitingen op de stoep, maar houdt iedereen zich aan de opgestelde richtlijnen en ziet alles er spic en span uit. Achter het winkelcentrum staan nog diverse woontorens en bedrijfsgebouwen die dicht op elkaar zijn gebouwd en hoge, niet al te levendige plinten hebben. De videocamera’s en aanwezige beveiligers in dit gebied zullen veel mensen een gevoel van veiligheid geven, maar ik had vooral het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden en alleen mocht gaan zitten op de daarvoor aangewezen plekken. Het is een typisch voorbeeld van een semi-publieke ruimte en van wat ook wel ‘privately owned public spaces’ (Pops) worden genoemd (zie ook Shenker, 2017) die wat mij betreft de spontaniteit en levendigheid uit de openbare ruimte haalt.

Kings Boulevard (Londen)

Oftewel twee wijken die - hemelsbreed op nog geen 1,5 kilometer van elkaar vandaan - een totaal verschillende indruk op me achterlieten door de sfeer, de architectuur, de openbare ruimte en de mate van ordentelijkheid. Waar Camden Town dankzij het meer informele karakter en diversiteit meer een geordende chaos lijkt en warm aanvoelt, daar zorgt de hoogbouw en de grote, stenige pleinen in King’s Cross Estate voor een meer formele, zakelijke sfeer waar alles schoon, heel en veilig is en iedereen netjes in het gareel loopt. 

Steet art nabij Camden High Street (Londen)

Op zoek naar gezelligheid
Het boek Messy Cities dat recent uitkwam, gaat over deze verschillende gezichten van een stad. Maar liefst 44 auteurs vanuit verschillende culturele achtergronden en vanuit diverse disciplines (o.a. architectuur, geneeskunde, journalistiek, geografie, kunst, landschapsarchitectuur, planologie, stedenbouw, volksgezondheid) komen aan het woord. In verschillende varianten en met andere accenten stellen zij de vraag of straatverkopers, krotachtige gebouwen, rommelige architectuur, overdadige stadsgeluiden en muren met graffiti een teken van verval en slecht management zijn of juist indicatoren van een leefbare, levendige en inclusieve stad. Jason Thorne, stadsplanner in Toronto, verwoordt het als volgt: “Have our rules and regulations squeezed too much of the life out of our cities? Or are they critical bulwarks for protecting public health and safety? […] But how do we plan and design a city that is safe and functional while also leaving room for spontaneity and serendipity?” (p.43-44). 

Plaats van handeling in deze verhalen is overwegend het Canadese Toronto, omdat veel van de auteurs hier wonen of werken. Deze beperkte blik is minder storend dan op voorhand gedacht, omdat de stad vanuit zoveel verschillende hoeken wordt belicht. Daarnaast worden er zo nu en dan ook korte uitstapjes gemaakt naar Berlijn, Buenos Aires, Hanoi, Istanbul, Kaapstad, Los Angeles, Mexico-stad, Mumbai, Palestina, São Paulo, Tokyo en Trinidad.

Nieuwbouw in King's Cross (Londen)

Less is more
De verhalenbundel is aan de ene kant een lofzang voor meer rommeligheid in onze steden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ondertitel van het boek (“Why we can’t plan everything”) en het inleidende hoofdstuk: “It is time to rehabilitate the term [messy] as the necessary counterpoint to the drive for order” (p.10). Veel auteurs geven aan dat we wat betreft het plannen, inrichten en reguleren van onze steden te veel zijn doorgeschoten en nu te weinig ruimte laten voor zaken die afwijken van de norm. Kritiek is er dan ook op aanvraagprocedures, bouwvoorschriften, verordeningen, ontwerprichtlijnen, vergunningsbeleid, vastgoednormen en bestemmingsplannen. Vooral als ze complex, duur, onlogisch en star zijn en op twijfelachtige waarden zijn gebaseerd. Mooi voorbeeld van dit laatste is het verhaal van Nina-Marie E. Lister, hoogleraar stedelijke en regionale planning (Toronto Metropolitan University) die van haar voortuin een ecologisch paradijs heeft gemaakt met behulp van meerjarige, bloeiende planten. Deze onstuimige tuin komt echter niet overeen met de manier waarop voortuinen er in Noord-Amerikaanse suburbs uit behoren te zien en dus krijgt ze - na klagende buren - bezoek van een gemeenteambtenaar die haar erop wijst dat in een verordening staat aangegeven dat het gras, onkruid en vegetatie niet hoger mag zijn dan twintig centimeter. De toegevoegde waarde van biodiversiteit voor zowel mens als dier wordt bij deze beoordeling buiten beschouwing gelaten. Het gevolg is dat alle voortuinen er dankzij dit soort verordeningen in Canada hetzelfde uitzien: strak gemaaide grasvelden. Alles wat daarvan afwijkt wordt als buitensporig of slordig bestempeld. Dat moet volgens veel auteurs anders, zoals bijvoorbeeld schrijver Shawn Micallef: “A truly messy city requires a certain amount of bureaucratic inattention, perhaps even some benign neglect” (p. 209). Naast de overregulering worden ook bepaalde ordeningsprincipes ter discussie gesteld, zoals bijvoorbeeld door Chiyi Tam uit Toronto die in haar werk steeds de vraag krijgt wat er nu wel en niet onder Chinatown valt: “Planners ask the wrong question. It is clear that what they are also asking is where Chinatown isn’t. The need to know where Chinatown begins and ends to make policy. They need to create borders in order to do anything” (p.64). 

Camden Lock Market (Londen)

Grijstinten
Aan de andere kant laten de meeste hoofdstukken ook zien dat het niet zwart-wit is, maar dat het vooral een ingewikkelde balanceer act is tussen het geplande en het ongeplande, tussen ordentelijk en rommelig en tal van andere ideologieën (zie tabel 1). Waarbij we het een niet meer moeten verheerlijken dan het andere: “The question is not what kind of urbanism, messy or orderly is better, but how they interact”, aldus architect Andrés Borthagaray (p. 238). De verschillende ideologieën moeten dus niet worden benaderd als tegenstellingen, maar eerder als een continuüm waarbij het steeds zoeken is naar het juiste evenwicht, zoals ook benoemd door auteur Jake Tobin Garrett die vragen stelt over de manier waarop parken worden ingericht: “Parks should be designed to be high-quality spaces, with excellent materials, relevant community amenities, and well-cared-for landscapes. They also require a set of rules to help govern their use. But, as with everything, there is a balance. Overdesigned and overregulated spaces filled with shiny amenities and byzantine rules can provoke that formal sitting-room feeling: look but don’t touch; whisper, don’t shout; and for god’s sake, sit up straight!” (p.176). 

Tabel 1 Woorden die worden gebruikt om de diverse ideologieën te beschrijven

Nette steden 

Rommelige steden

Gepland

Ongepland

Van bovenaf

Van onderop

Orde, controle, beheersing

Chaos, complexiteit

Wetten, regels, voorschriften

Zelfregulering, gedeelde macht, community-gedreven

Groots ontwerp, monochrome gevels, strakke lijnen

Functioneel ontwerp, organische groei 

Consistent, eentonig, identiek, homogeen, monotoon, saai, symmetrisch, uniform

Asymmetrisch, divers, dynamisch, levendig, onderbrekingen

Bedacht, uitgestippeld, voorspelbaar

Onverwachts, spontaan, toeval, verrassend

Definitief, grenzen, stabiel, vast

Adaptief, diffuus, flexibel, fluïde

Mooi, netjes, onbezoedeld, vlekkeloos 

Aangetast, gebruikt, slordig, vies

Perfectie, aangenaam, harmonie 

Praktisch, onaangenaam, wrijving

Ook bij bewonersinitiatieven – waar er meerderen van aan bod komen in de publicatie - is het steeds zoeken naar een juiste balans. Shari Kasman, een kunstenares uit Toronto beschrijft dat heel mooi bij het project waar zij samen met bewoners midden in een woonwijk een braakliggend terrein veranderde tot ‘Bloordale Beach’: “The beach was an illegal guerrilla project that wasn’t technically allowed to exist, but was permitted to exist, or was tolerated, yet it was admired by authorities, though it could not be supported financially, due to its status of being on the wrong side of the law” (p.79). Daarmee raakt het een veelvoorkomend dilemma: hoe zorg je ervoor dat een leuk, informeel project of succesvolle pilot uitgroeit tot iets permanent zonder daarbij het unieke karakter te verliezen? Zoals bijvoorbeeld bij een spontaan ontstaan naaktstrand van, voor en door de Lhbtqia+ gemeenschap: “Must queer spaces become institutionalized, commercialized, or hypervisible to survive? And if so, what is lost in terms of the informal and subversive qualities that made these spaces so vital in the first place?” (p.116).  

Andere verhalen gaan onder andere over defensive urbanism, deeleconomie, DIY urbanism, erfgoed, gentrification, gendered urbanism, human-scale urbanism, inclusiviteit, informele economie, NIMBY, olifantenpaadjes, organische gebiedsontwikkeling, placemaking, pop-up urbanism, street art, shared spaces, suburban sprawl en tactical urbanism

Granary Square (Londen)

Inkijkje in de leefwereld
Het boek komt niet voort uit een groot wetenschappelijk onderzoek, maar is een bonte mix van persoonlijke verhalen en observaties. Alle auteurs hebben zes à zeven pagina’s gekregen voor hun betoog dat meestal begint met een anekdote om vervolgens een pleidooi te houden voor enige vorm van rommeligheid/messiness. De ene keer voelen deze teksten aan als een uitgebreide column en de andere keer als een kort essay. De diversiteit aan auteurs zorgt ervoor dat het vraagstuk van alle kanten worden belicht en door vooral mensen uit de praktijk aan het woord te laten, krijg je een mooi overzicht van de (on)mogelijkheden om iets meer reuring, rauwheid, onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid in onze steden toe te laten. De andere kant van de medaille is dat de verhalen steeds net te kort te zijn. Op het moment dat de hoofdboodschap van de desbetreffende auteur duidelijk is, wil je verder met hem of haar de diepte in, maar dan sta je alweer voor de opgave om je in het volgende verhaal in te lezen. Het is ook aan de lezer zelf om binnen deze caleidoscoop - met zijn vele kleurschakeringen - de patronen te vinden. Een goed en uitgebreid concluderend hoofdstuk ontbreekt namelijk.  

De rode draad is wat mij betreft de vraag of we de stad moeten benaderen als een machine die op een effectieve en efficiënte manier de juiste producten produceert of dat we moeten aanvaarden dat de stad een complexe, chaotische en dynamisch orgaan is. Een spanningsveld - of zoektocht is misschien een beter woord - die natuurlijk al vaker besproken is op dit blog en ook door mensen zoals Jane Jacobs (Visual order: its limitations and possibilities), Richard Sennett (Closed vs. Open City) en Jan Gehl (Hard vs. Soft City). Ook de Nederlandse socioloog Abram de Swaan (1993) schijft hierover en hij gebruikte in het verleden een andere mooie metafoor die hier toepasselijk is. Hij schreef dat we de stad niet als een badkamer moeten zien, die schoon, heel en veilig is: “Een leefbare stad is geen opgepoetste stad, maar een stad met de goede mengverhouding van vermaak, verbazing, verrassing, spanning en ergernis”. 

Camden High Street (Londen)

In the eye of the beholder
Al met al is het een prettig leesbaar boek voor alle mensen die zich bezighouden met stadsmaken en zeker voor hen die een passie hebben voor de publieke buitenruimte en de ruimteconflicten die daar soms kunnen ontstaan. Het zet je aan tot denken over de vraag wanneer nu iets echt ongewenst, ongepast en problematisch is. Bijvoorbeeld: wanneer zouden we stedelijke klanken moeten bestempelen als geluidsoverlast? En wanneer wordt graffiti kunst? Het logische antwoord op die vragen is natuurlijk dat dit per persoon verschilt. Ieder persoon ervaart en waardeert een ander niveau van rommeligheid, overzichtelijkheid, diversiteit en levendigheid. Het zal dan ook per stadswijk verschillen waar je je het meest thuis voelt. Zowel in Londen als in al die andere enerverende steden.


Literatuur

De Swaan, A. (1993). Stadsgevoel. NRC Handelsblad, 30 september 1993.

Helleman, G. (2016a). Op zoek naar nieuwe verhoudingen: over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. De Haagse Hogeschool. 

Helleman, G. (2016b). Privately Owned Public Spaces: curse or blessing? Blog Urban Springtime.

Helleman, G. (2020). Ontmoeten in de publieke ruimten. Blog Stadslente.

Helleman, G. (2021). Hoe openbaar is de openbare ruimte? Blog Stadslente. 

Jacobs, J. (1961). The Death and Life of Great American Cities. Random House Usa Inc.

Reid, D., Ebrahim, Z., Woo. L., & Lorinc, J. (Eds.) (2025). Messy Cities: Why we can't plan everything. Coach House Books.

Sennett, R. (2018). Building and dwelling: Ethics for the city. Allen Lane/Penguin Random House.

Shenker, J. (2017). Revealed: the insidious creep of pseudo-public space in London. The Guardian. Geraadpleegd via https://www.jackshenker.net/work/revealed-the-insidious-creep-of-pseudo-public-space-in-london 

Ter Avest, D. & Helleman, G. (2023). Semi-publieke ruimte: inleiding op een themareeks. Rooilijn, 56, 7 september 2023. Geraadpleegd via https://www.rooilijn.nl/artikelen/semi-publieke-ruimte-inleiding-op-een-themareeks

Reacties