woensdag 10 oktober 2018

Naar aantrekkelijke openbare ruimte in de naoorlogse stad




Onze vroeg-naoorlogse woonwijken worden gekenmerkt door een ruime opzet en groen uiterlijk. Toch ervaren bewoners en grondeigenaren deze stedenbouwkundige opzet niet alleen als kwaliteit, maar ook vaak als een probleem. Men worstelt namelijk met de structuur, inrichting en het beheer. Met als resultaat dat al het groen vaak een geringe verblijfskwaliteit heeft en gedegradeerd is tot kijkgroen. Aan de hand van een casus in Den Haag laat ik zien welke mogelijkheden er zijn om in dit soort wijken een meer aantrekkelijke en levendige openbare ruimte te creëren.

Ontwerpsessie
Een paar weken geleden werd ik uitgenodigd door Platform STAD voor een ontwerpsessie in en over Den Haag Zuidwest. De wijken Moerwijk, Bouwlust, Morgenstond en Vrederust zijn een van de focusgebieden van de gemeente om door middel van verdichting aan de toenemende woningvraag in Den Haag te voldoen. Ik mocht - als stadsgeograaf - meedenken met een van de drie ontwerpteams, die voornamelijk bestonden uit architecten en stedenbouwers. Vragen die over tafel kwamen waren: zijn grote ingrepen en iconen nodig of kunnen we voortborduren op bestaande structuren? Waar is verdichting wel of geen optie? Hebben ruimtelijke ingrepen nu wel of geen invloed op maatschappelijke vraagstukken? Moet er nu worden gestreefd naar een ‘spannende en bruisende stedelijkheid’ of naar een ‘leefbare slaapwijk’? De uitkomsten van deze ontwerpsessies zijn te lezen op de website van Platform STAD.

Openbare ruimte
Los van de ontwerpteams, die zich meer - conform opdracht - richtten op de verdichting van twee verkeersassen, was ik tijdens mijn fietsronde ter voorbereiding aan de ontwerpsessie en tijdens eerdere bezoeken aan het stadsdeel vooral verbaasd over het gebruik en de inrichting van de openbare ruimte. Daar gaat dit artikel over (waarbij ik me vooral richt op het gebied tussen de Melis Stokelaan en de Meppelweg). Ondanks de enorme hoeveelheid aan groen is de openbare ruimte hier vaak onbereikbaar, onaantrekkelijk, onpersoonlijk, onduidelijk en ongedefinieerd. De enorme potentie van de volgroeide bomen, de grote binnenhoven en de groene middenbermen worden nu nog onvoldoende benut. Zo dienen de lange lanen meer als verkeersader (ruimte) dan als bestemming (plek). Voor het realiseren van een beter woonmilieu zou de aandacht dus niet (alleen) moeten gaan naar verdichting en woningbouw, maar bovenal naar de openbare ruimte. Deze schreeuwt om meer levendigheid en verscheidenheid.



De naoorlogse stad
De huidige toestand van de openbare ruimte heeft een historische reden. De vier wijken in Den Haag Zuidwest zijn grotendeels gerealiseerd in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Ze waren het Haagse antwoord op de woningnood die in bijna heel Nederland van toepassing was. Voor die woningnood waren meerdere redenen: de bouwstop tijdens de Tweede Wereldoorlog, de babyboom, de toenemende huishoudenverdunning, de interne migratie vanaf het platteland naar de steden en later de internationale arbeidsmigratie. En dus moest er vooral in de grote steden veel en snel worden bijgebouwd. Daarbij werd gebruik gemaakt van nieuwe bouwtechnieken (prefab), een herhaling van clusters van langgerekte bouwblokken (stempelbouw) en portiekflats als woonvorm (tot vier hoog hoef je geen lift te bouwen).




Tegelijkertijd drukte ook H.P. Berlage en later W.M. Dudok, twee grote stedenbouwers/architecten uit die tijd, hun stempel op het gebied door in hun ontwerpen uit te gaan van lange horizontale lijnen, strakke/rechthoekige vormen, weidse openbare ruimten en monofunctionaliteit (alleen woningen en een buurtwinkelcentrum). Op deze manier ontstond het mantra: licht, lucht en ruimte. Met een hiërarchische opbouw en aaneenschakeling van groene ruimten: vanuit de woning kom je in de groene binnenhoven, vanaf daar kan je naar de groenstroken langs de doorgaande wegen, die weer doorlopen tot aan een park of het buitengebied. Later werd ook de auto steeds belangrijker gemaakt in de stedenbouwkundige plannen. Met lange lanen als gevolg die vooral dienen als verkeers-, doorstroom- en parkeerruimte (in plaats van verblijfsruimte).

De oorspronkelijke architectuur en stedenbouw werd niet alleen opgevat als een esthetische opgave, maar was ook gericht op de ordening en regulering van het menselijk gedrag. Het waren namelijk de hoogtijdagen van de maakbare samenleving en de wijkgedachte. Aan de hand van een ideaal, rekenkundig model voor de omvang en samenstelling van een woongebied werden eenheden gecreëerd met een eigen voorzieningencentrum. Uitgangspunt was de wooneenheid van ongeveer negentig woningen. Een aantal wooneenheden vormde een buurt, een aantal buurten de wijk. Deze wijkgedachte was vooral gericht op moeder en kind. Hun levens speelden zich grotendeels af in de omgeving van de woning, de school en buurtwinkel. Het idee was dat de ruimtelijke hiërarchie (woning-complex-buurt-wijk) een positieve invloed had op intensief contact binnen het gezinsleven, hartelijk contact met de buren en vluchtig contact met de wijkbewoners. De gebieden tussen de bouwblokken - de binnenhoven - dienden daarbij als gemeenschappelijke buitenruimte voor het contact met de buurt. Plekken die voor een gevoel van saamhorigheid en cohesie moesten zorgen. Zo ontstond een doorgecomponeerde wijk die de samenleving probeerde te ordenen en te kneden.



Door een groot aantal maatschappelijke ontwikkelingen zijn deze goed bedoelde ideeën niet meer van toepassing. Onder andere de individualisering, internationalisering en informalisering hebben er voor gezorgd dat maatschappelijke verbanden veel losser zijn geworden en veel mensen op zichzelf zijn. De gemeenschapszin is afgenomen en controlemechanismen op afwijkend gedrag werken veel minder. De binnenhoven die ooit van iedereen waren, werden uiteindelijk van niemand. Tal van hekken en verbodsbordjes (zie onderstaande compilatie) laten nu zien dat bewoners, corporaties en de gemeente nog steeds naar een oplossing zoeken voor deze problemen rondom beheer, controle en eigendomstructuur (privé, semi-openbaar of publiek?).



Fietsnetwerk
Een groot deel van de 32.500 woningen in Den Haag Zuidwest zijn ondertussen vervangen of gerenoveerd. De groene uitstraling is gebleven en er is hard gewerkt aan de bereikbaarheid van het gebied door middel van tramverbindingen en fietsroutes. Die laatste zijn - vooral op de doorgaande wegen richting de binnenstad - van hoge kwaliteit. Naast dat ze breed, duidelijk gemarkeerd en goed geasfalteerd zijn, is het vooral een voordeel dat ze op veel plekken gescheiden liggen van het gemotoriseerd verkeer. Hierdoor is de verkeersveiligheid gewaarborgd. Dat geldt voor de fietsers, maar ook voor de vele mensen die het fietspad gebruiken met hun scootmobiel.



Door de ligging van de fietspaden nabij de woningen voel je je ook beschut en sociaal veilig. Een ander gevoel krijg je als je de verkeerskruispunten nadert. Door de enorme oppervlakten en de dominantie van de auto ontbreekt de menselijke maat. Zeker wanneer de tussenruimten, zoals de rotondes, alleen maar uit (wederom) gras bestaan. Door het toevoegen van slechts enkele elementen (bloemen, planten, kunst, fontein) zijn deze verkeerspleinen aantrekkelijker te maken en ontstaat er meer verscheidenheid en herkenbaarheid op de lange lanen.



Hoewel de routes richting en vanaf de binnenstad goed ontsloten zijn, is dat een stuk minder met de dwarsverbindingen op deze lange assen. Wie bijvoorbeeld wel eens heeft geprobeerd om de Leyweg te volgen van de Meppelweg naar de Melis Stokelaan kent dit gevoel. Het winkelgebied doet hier een enorme hap uit het fietsnetwerk. Op andere plekken zijn de dwarsverbindingen verdwenen door de postzegelplannetjes die rond de eeuwwisseling zijn uitgevoerd in het kader van de herstructurering (lees: het vervangen van portieketageflats van woningcorporaties door eengezinswoningen in de koopsector). Deze projecten hebben de eenvormigheid van de wijken vermindert, maar de structuur en inrichting van de openbare ruimte lijken soms kind van de rekening te zijn geweest.

Stoep
Voor het realiseren van een aantrekkelijke, levendige openbare ruimte is het logischerswijs van belang dat de basis op orde is. Dat betekent dat het schoon, heel en veilig is. Bijvoorbeeld door de aanwezigheid van brede stoepen en een goede afscheiding van langzaam verkeer (wandelaar, fietsers) van het autoverkeer. In Den Haag Zuidwest is dat goed geregeld. Wie echter de bril op zet van iemand die slecht ter been (wandelstok, rollator, rolstoel, scootmobiel) of slecht ziend is, ervaart nog wel wat verbeterpuntjes. Naast wat losliggende en schuine stoeptegels kan de bewandelbaarheid van de wijken nog worden verbeterd door meer verlaagde trottoirbanden, voldoende op- en afritjes aan beide kanten van de straat (en dan wel rechter tegenover elkaar dan op sommige plekken), meer verhoogde oversteekplaatsen of zebrapaden en meer toegankelijke bankjes om uit te rusten. En door meer handhaving ten opzichte van foutparkeerders (overdag staan er veel klusbusjes op plekken waar je ze niet wilt hebben als voetganger) en door iets slims te verzinnen op het toenemende aantal obstakels, zoals de parkeerboxen voor scootmobielen. Tezamen kunnen deze maatregelen net zorgen voor het verschil tussen aan huis gebonden zijn of zelfstandig op pad kunnen. Dat zorgt voor een groter gevoel van vrijheid en is ook nog eens goed voor de gezondheid.



Bovenstaande geldt voor de bewoners die rolstoelafhankelijk zijn en slecht ter been (14% van de bewoners is ouder dan 65 jaar), maar ook voor ouders met kinderwagens. Daarnaast zijn de brede stoepen (en binnenhoven) ook voor kleine kinderen van grote waarde. Dit is immers speelruimte dicht bij huis en veilig verwijderd van autoverkeer.
Met een beetje creativiteit is het wandelgebied nog aantrekkelijker te maken. Nu is deze vaak nog eentonig door de lange lanen, het gebruik van steeds dezelfde tegel en dezelfde soort struiken in de geveltuintjes. Meer variatie aan struiken, planten en bloemen maakt het een stuk aantrekkelijker. Dit kan op de plek van de huidige struiken of door enkele tegels te verwijderen (zie ter inspiratie het project geveltuinen in Rotterdam, de operatie Steenbreek door Duurzaam Den Haag en deze kleine ingreep rondom de afvalbakken op de Fluiterbergstaat). Meer variatie ontstaat ook wanneer tegels in andere kleuren en vormen worden gebruikt of door het plaatsen van tegels met nummers, letters of stippen. Die stimuleren de fantasie bij kinderen en zorgen zo voor meer beweging. Ook valt te denken aan gemarkeerde routes met onderweg verschillende opdrachten of spelletjes.



Groene ruimten
De grote, groene open ruimten hebben op dit moment absoluut een meerwaarde voor de uitstraling, gezondheid en klimaatadaptatie van het gebied. Aan de andere kant lijkt de inrichting van de binnenhoven zich nu vooral te richten op het voorkomen van overlast voor omwonenden (lees: geen gebruik). De gebruikskwaliteit is dan ook vaak matig tot slecht. Daarnaast is onduidelijk voor wie de ruimten nu wel of niet bedoeld zijn.
Het is daarom van belang om de positie en functie van de gehele publieke ruimte opnieuw te bepalen. Op basis van het historische, stedenbouwkundige gedachtegoed, maar wel passend binnen de huidige tijdgeest en de huidige behoeften. Dat betekent soms keuzes maken en bepaalde groenstroken opofferen voor andere functies.
Dit is echter alleen mogelijk als je bewoners er ook wat voor teruggeeft. Dit kan door het herinrichten en programmeren van bepaalde grasvelden zodat het kijkgroen wordt omgetoverd tot gebruiksgroen (ontmoeten/spelen/recreëren/verblijven). Bijvoorbeeld door het aanleggen van een bloemen- of insectentuin. Door speeltoestellen te plaatsen voor kinderen of juist voor ouderen. Door het aanbrengen van een wandelroute met voldoende zitgelegenheden. Door een buurtmoestuin samen met de bewoners te ontwikkelen, zoals de Tuinen van Venen. Etcetera. In al deze gevallen voeg je gebruikskwaliteit toe, vergroot je de verbinding tussen bewoner en openbare ruimte en creëer je levendigheid. En daarnaast biedt het de kans om meer duidelijkheid te creëren over toegang (open-gesloten) en het beheer.



Bovendien ontstaat er op deze manier meer afwisseling: door iedere ruimte anders in te richten en door een bepaald thema of doelgroep aan een ruimte toe te kennen. De collectieve ruimten krijgen zo een eigen betekenis. Die verscheidenheid is overigens ook al te bewerkstelligen als een deel van het steeds terugkomende gras zou worden vervangen door verschillende ondergronden. Meer variatie in kleur, materiaal en structuur maakt het een stuk aantrekkelijker. Bijvoorbeeld door het gebruik van asfalt, grind, houtsnippers, schelpen, rubber, schors of zand. Door te werken met hoogteverschillen (muurtjes, hellingen, heuvels, grote keien) of door het gebruik van verschillende natuurlijke elementen met diverse kleuren en momenten van bloei. Denk aan geurende bloemen, grote plantenbakken en/of kleurrijke bodembedekkers, zoals is toegepast in Hatert, een soortgelijke wijk in Nijmegen. Een lust voor het oog en andere zintuigen.

Speelplekken
Verspreid over de wijk liggen verschillende soorten speelplekken. Sommige horen bij een complex, andere bij de buurt en sommige hebben een wijkfunctie. Het Melis Stokepark is een voorbeeld van het laatste. Deze is prachtig ingericht met een diversiteit aan speeltoestellen (geschikt voor kinderen met én zonder handicap), voldoende bankjes voor ouders en een verscheidenheid aan bomen en struiken. Ook het water is hier - in tegenstelling tot veel singels - goed zichtbaar én nabij. Daarmee voldoet het water aan de belangrijkste eisen voor kinderen: makkelijk bereikbaar, ze kunnen het aanraken/aanpassen en het is ondiep en daarmee veilig.



Op veel andere plekken zijn de speelelementen juist ouderwets. Niet gericht op het stimuleren van de creativiteit, fantasie en de ontwikkeling van kinderen. Veel meer dan een wipkip of klimrek krijgen de bewoners niet. Ook de armoedige bankjes nodigen niet echt uit om naar buiten te gaan. En dat is zonde, omdat ook hier volop mogelijkheden liggen om er aantrekkelijke bestemmingen van te maken. Denk aan natuurlijke plekken waar kinderen ongestructureerd kunnen spelen of plekken met een duidelijke functie zoals een waterspeelplaats, een fietscross, een klimpark, multifunctioneel sportveldje, etc.



Plint
Een aantrekkelijke openbare ruimte ontstaat ook wanneer er, vanuit het oogpunt van de gebruiker, een goede verbinding is tussen gebouw (privé) en straat (publiek). In de ideale situatie moeten deze op elkaar aansluiten en langzaam in elkaar overgaan: een zogenaamde transitiezone. De vormgeving van omliggende gebouwen kan dan ook een belangrijke rol spelen in hoeverre mensen een publieke ruimte aantrekkelijk vinden. Die kans wordt vergroot als er rekening wordt gehouden met de menselijke maat. Bijvoorbeeld als de gevels van de gebouwen om de paar meter van kleur, vorm, functie, hoogte of detaillering verspringen. Dan worden namelijk onze zintuigen geprikkeld. Daarnaast kan je een zachte overgang tussen gebouw en straat realiseren door levendige functies toe te voegen in de plint van gebouwen: winkels, horeca en woningen in plaats van vuilopslag, parkeergarages, laad- en losplekken. Maar ook door het plaatsen van voldoende, grote, doorzichtige (niet weerkaatsende) ramen, door het plaatsen van een bankje voor de gevel of het aanleggen van een ruime voortuin.



Naast de bekende winkelstraten met hun etalages zijn er in Zuidwest een paar mooie voorbeelden van dit soort gebouwen, zoals Bloemenkiosk Renate’s stekkie, orthodontiepraktijk Meppelweg en koffiehuis Diaantje. Deze kleine toevoegingen zorgen voor meer levendigheid en verscheidenheid. Het zijn plekken om naar toe te gaan. En daar zijn er niet zoveel van in Den Haag Zuidwest.
Bij de recente nieuwbouw aan de Meppelweg is het nog maar de vraag of deze transitiezone goed uit de verf gaat komen. Daarvoor lijken de voortuintjes wat aan de kleine kant. Het woningbouwfestival aan de Dedemsvaartweg uit het begin van de jaren negentig is vaak geprezen om zijn diversiteit aan woonvormen en woningtypen, maar de gesloten wanden van sommige gebouwen en de woningen die met hun kont naar de straatkant staan maken het niet tot een doorslaand succes. Ook bij het nog niet zolang geleden opgeleverde pand op de hoek van de Dedemsvaartweg en de Meppelweg lijkt de relatie met de straat en de openbare ruimte te zijn vergeten. Het is volledig onduidelijk waar de openbare ruimte nu begint of eindigt. Op andere plekken is er wel nagedacht over de rol die de begane grond van een gebouw kan spelen. Dan is er bijvoorbeeld bedrijvigheid toegevoegd aan de plint. Dat werkt echter niet wanneer er alleen maar afgesloten ramen zijn door lamellen of afplakken.  Dan is er nog steeds geen interactie met de straat. In een ander gebouw kan je wel naar binnenkijken, maar moet je het doen met stilstaande auto's. Allemaal gemiste kansen.

Middenberm
De middenberm aan het begin van de Meppelweg is misschien wel het mooiste stukje groen dat met smart op een bestemming ligt te wachten. Elders wordt deze middenberm gebruikt voor de tram, maar hier is het slechts een grasvlakte tussen mooie, volgroeide bomen.
Onderbroken op de grote kruispunten door tal van verkeerstromen en tussendoor soms door een diagonaal voetpad met een verdwaald bankje. Er zijn tal van voorbeelden in de wereld waar dit soort middenbermen juist worden gebruikt als recreatieve zone met wandelpaden, zit- en eetgelegenheden, speelelementen en sportvoorzieningen. Een van de mooiste voorbeelden is de Sønder Boulevard in Copenhagen. Door een lichte verdieping en een opstaande rand zijn de gebruikers hier op een slimme en veilige manier afgescheiden van het autoverkeer. Ook op de Meppelweg zou je op deze manier de middenberm kunnen transformeren.



Je zou echter ook de groenstrook kunnen verplaatsen naar één zijde van de bebouwing zodat je de publieke ruimten aan elkaar koppelt en een grotere verblijfsruimte krijgt. Deze is zelfs nog verder te vergroten als de ruime verkeersbanen voor het autoverkeer worden versmald.



En wie dat vervolgens ook nog combineert met bedrijvigheid op de begane grond krijgt helemaal een aantrekkelijk gebied. Bijvoorbeeld door het bouwen van kleine en goedkope bedrijfsruimten voor horeca of ‘start ups’.



Tot slot
Bovenstaande ideeën zijn voorbeelden van manieren waarop je de openbare ruimte in vroeg-naoorlogse stadswijken zou kunnen verbeteren. Dat begint bij het uitgangspunt dat partijen voldoende aandacht willen en kunnen geven aan de inrichting, programmering en het beheer van de openbare ruimten. Groen en water zijn geen kostenposten, maar zijn van groot belang voor de waardeontwikkeling, voor het klimaat (waterberging, luchtkwaliteit, tegengaan hittestress en geluidshinder), het voorkomen van verveling onder jongeren en zijn belangrijk als plekken voor ontmoeting en ontspanning. Openbare ruimte is dus niet iets wat een architect er even bij doet.
Wie het belang erkent, doet er goed aan om eerst goed te kijken naar de manier waarop bewoners nu de openbare ruimte gebruiken. Door te observeren en hen te bevragen naar hun wensen en mogelijkheden. Vervolgens zal er een participatietraject moeten worden opgestart met bewoners, stedenbouwers, landschapsarchitecten, groenbeheerders, speelruimtespecialisten en stadsgeografen om te bepalen welke mogelijkheden er allemaal zijn om locatie-specifiek de openbare ruimte aantrekkelijker te maken. Ik hoop dat dit artikel daarbij als inspiratie kan dienen.

(c) Alle foto's en collages door Gerben Helleman

Geraadpleegde bronnen en leestips

Esther Agricola, Aad Bouwhuis, Ruud Geelhoed, Gerjan Giele, Winfried Janssen & Hans Pronk (2002) Den Haag Zuidwest; een naoorlogse stadsdeel in verandering. Bussum: THOTH.

Anita Blom, Eva Stegmeijer, Frank Buchner, Marlijn Baarveld, Renate Pekaar & Victorien Koningsberger (2017) Wederopbouw, een kansrijke erfenis. Handreiking bij transformatieopgaven. Den Haag: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Geoffrey Eberle, Gerben Helleman, Greetje van den Nouweland & Jasper Spigt (2018) Meppelpark; verlevendigen, verscheidenheid en verbinden. Den Haag: Platform STAD.

Gemeente Den Haag (2003) Structuurvisie Den Haag Zuidwest. Den Haag: Dienst Stedelijke Ontwikkeling.

Gerben Helleman (2018) Playable cities. Blog Urban Springtime

Gerben Helleman (2017) Hoe maak je een levendige, publieke ruimte? Een top 10. Blog Stadslente.

Gerben Helleman (2016) Op zoek naar nieuwe verhoudingen; over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. Den Haag: Lectoraat Grootstedelijke Ontwikkeling, Haagse Hogeschool.

Ad Hereijgers & Endry van Velzen (2001) De naoorlogse stad: een hedendaagse ontwerpopgave. Rotterdam: NAi Uitgevers.

Marieke Kuipers (2002) Toonbeelden van de wederopbouw; architectuur, stedenbouw en landinrichting van herrijzend Nederland. Zwolle: Waanders Uitgevers.

Victorien Koningsberger (2016) Ontwerp en beheer van de groene binnenhoven. Amsterdam: Van Eesterenmuseum.

Platform STAD (2018) STADatelier Stedelijke Verbindingen – voorstellen voor Den Haag Zuidwest. Den Haag.

Platform STAD (2017) Ontwerpteams presenteren ideeën voor ontmoeting in de openbare ruimte. Den Haag.

Platform STAD (2017) Ontmoetingsmotor Jan Luykenlaan Moerwijk: Ontmoetingen in portiekflat wijk. Den Haag.

OBB Speelruimtespecialisten (2017) Formele speelruimte; uitdagende speellandschappen met creatief hergebruik en speelnatuur. Deventer.

Henk Timmermans (2005) Het groene assenkruis: knelpunten en kansen. Den Haag: Haags Milieucentrum.

Ger Warries, John van Leeuwen, Hans van Daal & Berit Piepgras (2016) Escampologisch; dichterbij Den Haag. Agenda Ruimte voor de Stad.

2 opmerkingen:

  1. Mannen van mijn leeftijd op speeltoestellen in de binnentuinen van Moerwijk, waar ik als kind heb gespeeld. Ontmoeten in de openbare ruimte van morgen.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ton van der Pennen18 oktober 2018 om 19:33

    Verplichte literatuur voor mensen die zich willen laten inspireren om bewoners te laten genieten van hun ‘grijze en grauwe’ woonomgeving en dit stadsdeel een betekenisvol onderdeel van de stad te doen zijn.
    Eerdere ervaringen met een dergelijke gebiedstransformatie zijn opgedaan in een ander Haags stadsdeel: de Schilderswijk. Jou niet onbekend. Kijk uit naar het vergelijkende essay dienaangaande.

    BeantwoordenVerwijderen