woensdag 1 april 2015

De dagelijkse praktijk van burgerinitiatieven

Twee weken geleden kwamen er twee interessante publicaties uit over burgerkracht en de doe-democratie: 'De ondernemende burger' en 'De uitvinding van de Leeszaal'. Beide geven ze uitgebreid inzicht in de dagelijkse praktijk van burgerinitiatieven met zowel de succesfactoren als de knelpunten. Een welkome aanvulling op de theoretische en politieke discussies van dit moment.
 
Er is al, ook op dit blog, het nodige over gezegd. De wereld om ons heen is veranderd en daardoor is er een nieuwe verhouding ontstaan tussen burger, overheid en markt. De aanleidingen hiervoor zijn divers (individualisering, toenemend ondernemerschap, informatisering, terugtrekkende overheid, etc.), net zoals het aantal gebruikte termen (doe-democratie, participatiesamenleving, DIY, burgerkracht, etc.). Het gevolg is dat burgerinitiatieven de laatste tijd volop in de schijnwerpers staan. Er zijn echter grote verschillen tussen de burgerinitiatieven, wat betreft:
  • de mate van participatie (meedenken, meedoen, zelfdoen);
  • de toegepast participatievormen (coöperaties, stichtingen, verenigingen, losse initiatieven); 
  • de thema’s waarop het van toepassing is (welzijn, zorg, sport, energie, openbare ruimte, veiligheid, wonen, etc.);
  • de schaalniveaus (van individuele hulp tot nationale initiatieven) en 
  • de uiteindelijke resultaten die het oplevert.
Het verbale geweld samengevat
Dankzij deze diversiteit zijn er behoorlijk verschillende verhalen te vertellen over het succes, de kwaliteit, het vernieuwende en het bereik van deze burgerinitiatieven. Hierdoor kan iedere onderzoeker, beleidsmedewerker, adviseur en bewindspersoon zijn eigen voorbeelden uitzoeken om zijn visie over burgerinitiatieven (en de rol van de overheid) te verstevigen. Afhankelijk van zijn of haar eigen politieke kleur, wereldbeeld en wensenpakket (Verbrugge, 2015). Het gevolg is dat er flinke discussies zijn ontstaan (zie o.a. Van Dam, 2014; Rotmans vs. Tonkens/Duyvendak) en dat we tegenwoordig zelfs al spreken over verschillende stromingen: de ‘believers’ tegenover de ‘criticasters’ (zie ook Michels, 2015; Van der Zwaard & Specht, 2013; Van Twist et al., 2013). Waarbij - gechargeerd - de een heilig gelooft in het zelfoplossend vermogen van burgers en deze initiatieven ook vooral ziet als oplossing voor een terugtrekkende en falende (duur, traag en bureaucratisch) overheid. Terwijl de ander vooral wijst op de vele schaduwzijden (o.a. Uitermark, 2012, 2014): tegenover ieder succesvol initiatief staan minimaal evenveel initiatieven die falen (waar we nooit wat over horen); er is een oververtegenwoordiging van blanke, hoog opgeleide mensen; de burger blijkt regelmatig een (noodlijdende) ZZP’er te zijn; de initiatieven kunnen vaak niet zonder de steun van ‘ouderwetse’ instanties, etc. 

Rijp en groen dat je niet over één kam kan scheren
Beide uitersten zijn uiteraard leuk voor ideologische, wetenschappelijke en politieke discussies, maar wie met zijn voeten in de klei staat, kan er zo weinig mee. Gelukkig is er ook een tussenstroming (de kritische enthousiastelingen), waar ik mezelf dan maar even onder schaar, die graag nuancering aanbrengt in deze globale discussies en precies kijkt wat waar mogelijk is. Ik geloof dan ook niet zozeer in een paradigmashift, waarbij we ineens van het ene uiterste (de overheid regelt alles) naar het andere uiterste (burgers vullen gaten die overheid achter laat) gaan. Iedere instantie en burger geeft namelijk binnen zijn of haar (on)mogelijkheden een eigen invulling aan het nieuwe stedelijke speelveld. En dus zal je zorgvuldig per thema en per wijk moeten bekijken wat waar mogelijk is. Het gaat dus om precisie, maatwerk en zorgvuldigheid. Toegegeven, dat klinkt saai in verhouding tot voorgaande discussies, maar doet wel meer recht aan de dagelijkse praktijk. En voorkomt hopelijk de verleiding om aan de hand van voorbeelden uit andere steden bezuinigingen te rechtvaardigen.

Verder kijken dan onze neus lang is
Reden waarom ik ook zo gecharmeerd ben van de twee genoemde onderzoeken: 'De ondernemende burger' en 'De uitvinding van de Leeszaal'. Hiermee verlaten we de landelijke, meer globale discussies en kunnen we een kijkje nemen achter de schermen van een groot aantal praktijkvoorbeelden. Beide publicaties beschrijven de successen, maar vervallen niet in een hosanna-verhaal. Ze kijken ook naar de dilemma’s en knelpunten. En heel leerzaam: men vertelt niet alleen ‘wat’ er is georganiseerd, maar vooral ook ‘hoe’ dat - met vallen en opstaan – is gerealiseerd. Daardoor krijg je een genuanceerd verhaal over een project en kan de lezer zelf conclusies trekken en/of leerpunten destilleren voor zijn eigen praktijk. Algemene tendens: het succes of falen van een burgerinitiatief is van vele factoren afhankelijk. Toeval en geluk, geen favoriete termen in ons land van ordening en maakbaarheid, spelen vaak een belangrijke rol.
 
De woelige wereld van lokale initiatieven
In de ‘Ondernemende burger’ beschrijven Marcel Ham en Jelle van der Meer de ervaringen, hobbels en dilemma’s van twaalf hedendaagse en robuuste burgerinitiatieven. Daarbij beschrijft men onder andere twee wijkondernemingen, een zorg- en een buurtcoöperatie en twee zelfstandig buurhuizen (waaronder 't Klokhuis in Amersfoort waarvan tweets van zijn opgenomen). Ook uit deze verhalen blijkt de enorme diversiteit in aard, omvang en vorm:
  • Soms is er één bevlogen, dominante trekker, de andere keer is er een diverse groep aan initiatiefnemers.
  • Bij de een gaat het om initiatieven van bewoners, bij de ander heeft een overheid de eerste stap gezet of zijn (maatschappelijk) ondernemers de trekker (“Professionals, vermomd als burgers”). 
  • Sommige initiatieven willen zelfstandig en (financieel) onafhankelijk zijn van de overheid, de andere heeft daar minder moeite mee. Zeker als het incidentele subsidie betreft in plaats van structurele (exploitatie)subsidie. 
  • Soms staat het eigen belang voorop, de andere keer het publieke belang. 
  • Soms gaat het over een nieuwe maatschappelijke voorziening die beter aansluit op de huidige behoeften. In het andere geval is het dezelfde welzijnsvoorziening van weleer, alleen wordt hij nu in stand gehouden door vrijwilligers. 
  • Soms is het doel niet meer dan gezelligheid, maar vaak gaat het om grote maatschappelijke vraagstukken (die dan wel weer divers van aard zijn).
Door deze diversiteit moeten de initiatieven ook allemaal anders worden beoordeeld en moeten ze zeker niet worden vergeleken met de bewonersinitiatieven uit het verleden. Over de twee wijkondernemingen schrijven de auteurs: “Verwachtingen over democratie, brede toegang en gelijkheid zijn aan de initiatiefnemers niet besteed […] Zij willen niet beoordeeld worden op het proces, maar op de uitkomsten van hun ondernemerschap […] Als anderen het anders willen, beginnen ze maar hun eigen wijkonderneming.”

'De burgerinitiatieven zijn meer hybride dan ze zelf willen weten'
De onderzoekers typeren hun rondje door Nederland als “een warm bad van optimisme, gemeenschapszin en ondernemersgeest”. De initiatieven worden daarbij door zowel burgers als externen gekarakteriseerd als een bottom-up beweging. “Dat suggereert iets van gewone mensen die opstaan tegen hoge heren. Dat is het niet […] De burgers van de initiatieven zijn dezelfden als de burgers van de gevestigde instellingen, maar dan in hun vrije tijd. Het bottom-up-karakter zit in iets anders, namelijk dat burgerinitiatieven aansluiten bij het alledaagse. Dat doen ze door hun kleinschaligheid en in plaats van vastklampen aan procedures en protocollen […], de handen uit de mouwen te steken en mensen in de ogen te kijken.”
Ieder initiatief heeft daarbij te maken met lastige keuzes die afhankelijk van de context anders worden ingevuld. Het gaat dan bijvoorbeeld om de volgende dilemma’s:
  • controle of flexibiliteit;
  • gelijkheid of differentiatie; 
  • onderlinge solidariteit of uitsluiting; 
  • afhankelijkheid of onafhankelijkheid; 
  • democratisch handelen of bedrijfsmatig handelen; 
  • winst maken of uit de kosten komen.
Iedereen geeft daar op zijn eigen manier invulling aan. De onderzoekers hebben daardoor ook wel de keerzijde van deze bottom-up beweging gezien: “beperkte en ondemocratische verantwoording, het gevaar van willekeur en het risico op uitsluiting”. Maar nogmaals de initiatiefnemers willen daar, terecht of onterecht, niet op worden beoordeeld. “Transparantie en verantwoording zijn niet hun doelen.”

Participerende observatie
De Leeszaal in het Oude Westen van Rotterdam is een publieke ontmoetingsplaats die wordt gerund door bewoners waar taal, cultuur, verbeelding en participatie samenkomen (zie voor een uitgebreide beschrijving: Helleman, 2014). Alles gaat hier volgens het principe van ‘halen en brengen’: in de vorm van tijd, kennis, ervaring, spullen, geld, netwerk en vooral boeken. De initiatiefnemers schreven er een leesbaar boek over met een beschrijving van hun eigen zoektocht, aangevuld met sprankelende anekdotes en theoretische intermezzo's. Een boek van 224 bladzijden over één initiatief lijkt op voorhand misschien wat veel, maar na lezing kom je al snel tot een andere conclusie. Dat komt mede doordat de initiatiefnemers/auteurs zelf ook onderzoekers zijn op het gebied van burgerkracht, publieke ruimten en sociale verbanden. Ze weten dus waar ze het over hebben. Zonder dat dit overigens tot borstklopperij leidt. Het is een eerlijk verhaal over hoe ze via zelforganisatie een werk-, leer- en ontmoetingsplek hebben kunnen creëren.

Afstand nemen van het verleden
De Leeszaal begon als een experiment (zonder bedrijfsplan), maar is binnen twee jaar uitgegroeid tot een enerverende publieke ontmoetingsplek. Doordat men zich vooraf niet heeft vastgeklampt aan een gewenst eindbeeld kon de Leeszaal organisch groeien: “[Daardoor] konden we steeds ingaan op wat zich aandiende, meebewegen met het ritme en de mogelijkheden.”
Men wist wel wat men niet wilde zijn: geen ons-soort-mensen-voorziening en ook geen vervanging van de gesloten bibliotheek of het buurthuis.
Ook hier was er vanaf het begin een sterke drang om onafhankelijk te blijven van de gemeente, zodat men niet aan allerlei regels en voorwaarden moest voldoen. En de wens om een plek te creëren die voor een diverse groep interessant is en ook wordt beheerd door een uiteenlopende vrijwilligersgroep. Dat laatste lukte onder andere door bewoners als individu aan te spreken en niet als vertegenwoordiger van een bestaande groep.
Achteraf blijkt dat deze drang naar autonomie en diversiteit de belangrijkste aantrekkingskracht voor vrijwilligers is om te participeren en voor bezoekers om langs te komen.

‘Zelforganisatie is geen vanzelforganisatie’
Het succes is echter niet komen aanwaaien. Het was een continue afwisseling tussen “weten, uitproberen, ontdekken en doorontwikkelen”. Hoe creëer je een sfeer die iedereen aantrekt? Hoe om te gaan met straatschoffies? Hoe zorg je voor kwaliteitsbewaking? Hoe maak je mensen verantwoordelijk (eigenaarschap)? En hoe ga je om met zaken als uitsluiting en bureaucratisering? De laatste twee zijn soms nodig om irritaties en onduidelijkheden op te lossen, maar ook om de kwaliteit en identiteit van de Leeszaal te bewaken. Toch wordt het instellen van regels en overlegstructuren tot een minimum beperkt. Er is namelijk bewust gekozen voor een informele aanpak waarbij de vrijwilligers allemaal in zelfstandige werkgroepen en teams werken. Passend bij de vrijwilliger van nu die graag kortstondig en afgebakend wil participeren. “Het resultaat is een platte, open organisatie, waarin weinig formeel is geregeld en veel draait om het creëren van een cultuur waarin mensen elkaar aanspreken en er samen uitkomen. [...] Strakke taakomschrijvingen en werkprocedures [...] zouden voor de Leeszaal de dood in de pot zijn, want dan gebeurt er niets onverwachts en ongeplands meer. Te veel sturing staat het eigen initiatief en de ontwikkeling van de samenwerking in de weg.” Zo ontstond een structuur die bij de plek past in plaats van andersom.

Hoe het ene onderdeel van participatiebeleid het andere in de weg zit
Naast het vermijden van conflicten en het voorkomen van problemen behandelt het boek nog een ander interessant vraagstuk: "De grootste bedreiging van de Leeszaal als collectief vormt misschien wel het participatiebeleid van de gemeente: de vele activeringsbureautjes die hun targets moeten halen door mensen met een uitkering aan een vrijwilligersplaats te helpen." De 'verplichte vrijwilligers' kosten veel tijd door de benodigde kennismakingsgesprekken en administratieve lasten. Maar bovenal staat dit haaks op de informele organisatie daar dit formeel denken en handelen vraagt ("We worden ineens een bedrijf met een personeelsafdeling"). En het botst met de ideologie van de Leeszaal met zijn autonome en deskundige teams, omdat er teveel ongemotiveerde mensen instromen zonder specifieke kwaliteiten voor de Leeszaal. "Het is meer halen dan brengen."

Niet zozeer sympathie, maar empathie
Uit de publicaties blijkt dat lang niet alle initiatieven "subsidiespeeltjes zijn van bakfietsburgers" die leuke plekken voor zichzelf creëren. Zo is de Leeszaal een aantrekkelijke bezoek- en werkplek voor een breed publiek. De eerder genoemde diversiteit aan vrijwilligers, bezoekers en activiteiten zorgt voor een bijna automatisch bewustzijn bij iedereen dat er verschillen mogen of zelfs moeten zijn. Passend binnen de ideologie van de initiatiefnemers. Daar zit echter ook wel een (overkomelijk) nadeel aan: “Uitgaan van verschillen betekent uitgaan van een bovengemiddelde onvoorspelbaarheid.” Een extra reden waarom in de Leeszaal is gekozen voor een informele, niet hiërarchische organisatievorm.

Geen kant-en-klaar recept
Het doel van beide publicaties was niet om te komen tot allerlei beleidsaanbevelingen. Het ging immers om een goede beschrijving van de keuzemomenten. Wie daarboven uit wil stijgen om conclusies te trekken, valt al snel in generalisaties. Wel bevestigen de beschreven projecten dat het vaak een proces is van lange adem. Dat de context bepaalt welke keuzes worden gemaakt en welke successen worden behaald. En dat het verbinden van mensen, belangen en behoeften een vak apart is.


Geraadpleegde bronnen en leestips

Jan van Dam (2014) Het utopisch verlangen naar de doe-het-zelf samenleving. Verslag van een debat in het Rotterdamse Arminius. Sociale vraagstukken.nl

Gerben Helleman (2014) Leeszaal Rotterdam West: de democratische reactie. Stadslente.

Gerben Helleman (2014) Het zelfoplossend vermogen van de stad. Stadslente.

Marcel Ham & Jelle van der Meer (2015) De ondernemende burger; de woelige wereld van lokale initiatieven. Movisie: Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Maurice Specht & Joke van der Zwaard (2015) De uitvinding van de Leeszaal; collectieve tactieken en culturele uitwisselingen. Trancity*valiz.

Mark van Twist, Nancy Cchin-a-Fat, Jorren Scherpenisse & Martijn van der Steen (2014) ‘Ja, maar…’; reflecties op de participatiesamenleving. Boom.

Justus Uitermark (2012) De zelforganiserende stad. In: Essays toekomst van de stad. Den Haag: Rli.

Justus Uitermark (2014) Verlangen naar Wikitopia. Rotterdam: Erasmus Universiteit.

Joke van der Zwaard & Maurice Specht (2013) Betrokken bewoners, betrouwbare overheid. Rotterdam: Kenniswerkplaats Leefbare Wijken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen