vrijdag 13 september 2013

De Bijlmermeer: de stad van morgen is verleden tijd

Hét voorbeeld van de ‘geplande stad’ in Nederland is de Amsterdamse Bijlmermeer. In de jaren zestig wordt de hoogbouwwijk aangekondigd als de ‘stad van morgen voor de mens-van-nu’. 45 jaar na de bouw is nog maar weinig terug te zien van het oorspronkelijke concept. Frank Wassenberg, jarenlang onderzoeker in het grootste vernieuwingsgebied van Nederland, promoveerde dit jaar op de ‘ideeën, opkomst, verval en vernieuwing’ van grootschalige flatwijken. In zijn Engelstalige dissertatie geeft hij een overzicht van de Bijlmer als de meest moderne, idealistische, spraakmakende en omstreden woonwijk van Nederland.

Idee
In de jaren zestig en zeventig verrijst in het zuidoosten van Amsterdam in hoog tempo de ene na de andere hoogbouwflat, de meeste in een honingraatmodel met tien verdiepingen. Uiteindelijk worden er 13.000 woningen opgeleverd verdeeld over 31 flatgebouwen. Het moet het  antwoord zijn op de kwantitatieve en kwalitatieve woningnood van dat moment: er zijn te weinig grote woningen die aan de woonwensen van die tijd voldoen. Daarnaast moet de Bijlmermeer de Amsterdamse stadsontwikkeling opnieuw beroemd maken, net als het veelgeprezen Amsterdamse Uitbreidingsplan (AUP) van Berlage uit de jaren dertig. De grootschalige nieuwbouwwijk gebouwd volgens de principes van de moderne stedenbouw, gebaseerd op de ideeën van de CIAM (Congrès International d’Architecture Moderne) uit de jaren twintig en dertig en zijn bekendste pleitbezorger, Le Corbusier. Niet alleen de woningnood werd zo opgelost, maar via de moderne woning- en stedenbouw kon ook een meer gelijke en harmonieuze samenleving worden gecreëerd (‘social engineering’). In de Bijlmer betekende dat onder andere functiescheiding (wonen, werken, recreëren),  hoogbouw, privacy in riante maar uniforme woningen, meerdere collectieve voorzieningen per flatgebouw, geometrische patronen in parklandschappen, parkeergarages en gemotoriseerd verkeer gescheiden van fietsers en wandelaars door middel van hoger gelegen dreven. De Bijlmer als groot woonerf.

Opkomst
In 1968 wordt de eerste woning opgeleverd. Zeven jaar later is ook de laatste flat gereed en staan er 13.000 woningen in een groene omgeving. Het resultaat – zeker voor die tijd - mag er zijn: grote woningen met ruime bergingen, centrale verwarming, handige vuilstortkokers en luxe sanitair. De sociale huurwoningen, in het bezit van vijftien (!) corporaties, zijn daardoor wel wat aan de dure kant, maar er zijn – zo is de mening van de gemeente – al genoeg goedkope huurwoningen. Wassenberg: “People, middle-class families at first, were expected to stand in line to obtain one of the high-rise flats, eager to escape the dark, narrow and unhealthy slums in the city.” De Bijlmer als woonplek voor gezinnen met een middeninkomen.




Verval
De toekomst liet zich echter niet plannen. Het kostte al snel (en blijvend) veel moeite om 13.000 liefhebbers te vinden die in het grootschalige hoogbouwlandschap wilden wonen. Men had onder andere gegokt op de bewoners uit de stadsvernieuwingsgebieden binnen de ring van Amsterdam. Doordat daar het principe van bouwen-voor-de-buurt zijn intrede deed, konden veel huishoudens weer terugkeren naar hun eigen woonplek. Daarnaast werden in groeikernen als Hoorn, Purmerend en Almere eengezinswoningen met tuin gebouwd, en die bleken voor de beoogde gezinnen veel aantrekkelijker.
Naast de woningmarktproblematiek veranderde veel idealen van het eerste uur in nadelen. Privacy ontaardde in anonimiteit, de collectieve en egalitaire ideeën sloegen niet aan en de voordelen van de verkeersveiligheid sloegen om in nadelen van sociale onveiligheid. “The numerous uncontrollable semi-public and collective spaces like entrees, alleys, corridors, 13.000 storage spaces, 110 kilometer of galleries and 31 parking garages turned out to be blind spots rather than cosy places where people could meet each other. […] Surveys held among residents uncover the most important grievances: pollution, degradation, vandalism and lack of safety.
Het derde probleem is dat de Bijlmer niet af is. Veel geplande voorzieningen worden veel te laat gerealiseerd (openbaar vervoer) of zijn, zoals winkels en ruimten voor sport en recreatie, bij de bouw wegbezuinigd. Typerend is dat er door bezuinigingen uiteindelijk maar één lift wordt gebouwd per honderd woningen in plaats van de beloofde vijftig.
Het gevolg van dit alles, is dat in 1985 de leegstand is opgelopen tot een kwart van de woningvoorraad, bij een situatie waarin ieder jaar de helft van de bewoners weer verhuisde. De Bijlmer als doorgangshuis.

Vernieuwing
Na talrijke en jarenlange debatten, beheersexperimenten, aanvullingen en deeloplossingen wordt in 1992 besloten om de Bijlmermeer rigoureus te vernieuwen. De verhuurproblemen, de onoplosbare leefbaarheidsproblemen en de toenemende financiële tekorten bij gemeente en corporatie maken duidelijk dat iets structureel moet veranderen. Drie invalshoeken staan hierbij centraal: ruimtelijke vernieuwing (differentiatie van de fysieke omgeving), sociale vernieuwing (meer deelname aan arbeid en scholing) en vernieuwing van het beheer (verbetering van de leefbaarheid in de dagelijkse leefomgeving). De Bijlmer als voorloper van het landelijke Grotestedenbeleid.

De fysieke vernieuwing is – zoals altijd - het meest zichtbaar en meest besproken. In cijfers: in totaal zijn 7.000 flatwoningen gesloopt, 5.200 opgeknapt en zo’n 5.000 nieuwe (rijtjes)woningen gebouwd. Geschatte kosten: 1,5 à 2 miljard euro. En dit is dan nog zonder de ontwikkelingen aan de andere kant van de spoorlijn (bedrijven en uitgaansgebied rondom Amsterdam ArenA). Het gevolg is dat de eenzijdige, grootschalige hoogbouw heeft plaatsgemaakt voor laagbouw in buurten met elk een eigen karakter. De nieuwe woningen zijn – na een wat stroeve aanloop - wel in trek. Niet alleen bij bewoners van de Bijlmer – ondertussen omgedoopt tot Amsterdam Zuidoost – maar ook bij huurders en kopers uit andere delen van de stad. De Bijlmer als Vinex-wijk.



Reflectie
Wassenbergs boek heeft een reflecterend karakter. Hij plaats bovenstaande ontwikkelingen van de Bijlmermeer in een Europese context (zie ook het onderzoeksprogramma Restate) en daarnaast kijkt hij naar de evolutie van de toegepaste vernieuwingsstrategieën in Amsterdam en daarbuiten. Terecht dat hij daarbij opmerkt dat het gaat om de relatie tussen ‘place’ en ‘people’: “Should urban renewal policies be area-based (focussing on a better place to live) or people based (focusing on better lives for residents)? Physical renewal upgrades the area, but offers no guarantee that residents’ daily live will improve […] Socio-economic measures may improve residents’ personal situations, but if successful people  continuously move out of the area it will stay deprived. […] the challenge is to find the right balance between the two approaches, given the particular context of each area.” Die relatie tussen de geplande en geleefde stad is een rode draad door het hele verhaal. Wassenberg: “Large housing estates symbolise for some people all that is wrong in urban planning. Large is wrong, because many prefer a living surrounding that reflects the human scale. Housing as a single function is wrong, because mixed areas are more lively. And estates are wrong, as they refer to top-down planned areas which the residents themselves have no say in.” […] “For these estates to recover, an integrated solution is needed and large-scale problems require large-scale interventions.” Over de Bijlmer concludeert hij: “The problems were so enormous, and were so connected, that minor incremental repairing approaches did not work. The consequence was the need for a major renewal scheme. Once the failure of the original concept was recognized, the intended approach was very powerful.

Plaats
Die roep om grootschalig in te grijpen hoor je tegenwoordig niet veel meer. Toch is die vanuit een Bijlmerperspectief wel legitiem. Gezien de leegstand, de bijna failliete corporatie en de vele onpersoonlijke, onbeheersbare plekken waren er niet veel meer ander opties over. Wassenberg noemt sloop dan ook het uiterste redmiddel nadat al het andere is geprobeerd. Toch blijft dit laatste een interessant punt. Had het ook anders gekund? Er zijn namelijk ook onderzoekers, zoals Wouter Vanstiphout, die meer geduld hadden willen betrachten. Zij vragen zich af of deze stadswijken, net als die van voor de oorlog, niet de tijd hadden moeten krijgen om een historische gelaagdheid te krijgen en zo door de tijd te ‘normaliseren’. Of is dat in dit specifieke geval te naïef en misschien teveel gestoeld op een romantisch droombeeld dat de geleefde stad altijd de geplande stad kan overwinnen? We zullen het nooit weten.

Mensen
Of de vernieuwing op sociaal gebied is geslaagd, is moeilijk te bepalen. Wassenberg zegt hier ook weinig over. Wie echter naar de statistieken van de Bijlmermonitor kijkt, ziet aan de ene kant dat de  gemiddelde Cito-scores verslechterd zijn en dat het percentage slecht bemiddelbare werklozen is toegenomen. Aan de andere kant is het gemiddeld inkomen ook toegenomen en de algehele werkloosheid flink gedaald. Hoewel dit laatste ook in de rest van de stad is verbeterd, waardoor de kloof met de rest van Amsterdam groot blijft. Ook interessant: is de daling in de Bijlmer een gevolg van een sociaal programma en/of doordat veel kansarmen hun heil elders in de stad zochten?
Los van deze statistische wedloop tussen stadsdelen zou het vooral van belang zijn om te weten of bewoners hun hoofd boven water kunnen houden. Zijn er via het formele of informele circuit voldoende helpende handen aanwezig? Door de grootschalige sloop heeft dit sociale netwerk namelijk een flinke dreun gekregen. Veel bewoners kreeg brood op de plank doordat er in de Bijlmer een wereld was ontstaan met een actieve informele economie en waar het gebruik van (semi-)openbare ruimten voor verschillende activiteiten gedoogd werd. Voor veel professionals was dit een doorn in het oog, maar voor veel bewoners een noodzakelijk kwaad om te kunnen overleven. Zo werden in de leegstaande garages kerkdiensten gehouden en ontstonden er kleine bedrijfjes. Maar ook in de flatwoningen waren eenmanszaken, kon je eten bestellen en ontstond van onderop een burenhulpnetwerk voor bijvoorbeeld kinderopvang en klussendiensten. Door de sloop zijn veel van dit soort activiteiten en informele netwerken verdwenen. Terwijl de nieuw gebouwde bedrijfsverzamelgebouwen voor veel ondernemers te groot en te duur bleken te zijn.

Idealen van wie?
Zijn er dan toch weer teveel plannen vanachter een tekentafel gemaakt, zonder nadrukkelijk te kijken hoe de bewoners het stadsdeel gebruiken en beleven? Ook bij de fysieke aanpak krijg je soms de nijging om deze vraag te stellen. Er wordt wel gesproken over een gefaseerde aanpak en meerdere bewonersonderzoeken, maar tegelijkertijd lijkt er een planologisch ideaal met sociale trekken ten grondslag te liggen aan de nieuwbouw: meer differentiatie van de woningvoorraad zodat er meer hogere inkomens komen wonen waar de lagere inkomens zich aan kunnen optrekken. Wordt er met andere woorden nu echt meer rekening gehouden met de idealen, wensen en (on)mogelijkheden van de bewoners? Of blijft - net als in de jaren zestig - het paternalisme en de gedachte van een maakbare samenleving de boventoon voeren? Vragen waar we in de dissertatie geen antwoord krijgen. Maar laten we hopen dat het antwoord niet bevestigend is, want dan zijn we weer terug bij af.

Geraadpleegde bronnen en kijk-/leestips
VPRO (1998) Retopia Bijlmermeer.


Esther Agricola & Gerben Helleman (2006) Tien jaar stedelijke vernieuwing: in vijftig teksten en projecten. Rotterdam: KEI/NAi Uitgevers.

Jaco Boer (2012) De Bijlmer is nog niet af. NUL20, juli 2012.


Gerben Helleman & Frank Wassenberg (2001) De Bijlmermeer: de stad van morgen wordt verleden tijd. In: Geografie, december 2011.


Gerben Helleman & Frank Wassenberg (2004) The renewal of what was tomorrow’s idealistic city. Amsterdam’s Bijlmermeer high-rise. In: Cities, 21 (1).


Jan Loerakker (2013) Revisioning Amsterdam Bijlmermeer. Failed Architecture.


Wouter Vanstiphout (2008) Social Engineering of the City and Urban Design; ideology as an Achilles Heel.  Open 2008, no.15.


Tim Verlaan (2013) Bijlmer: a Reputation Blown to Smithereens? Failed Architecture.


Frank Wassenberg (2013) Large housing estates: ideas, rise, fall and recovery. The Bijlmermeer and beyond. Delft: TU Delft.


Bron foto's
Luchtfoto Bijlmer Oost - beeldbank Amsterdam

Mohammed Ikbal (familiefoto) - Foto door Hannes Wallrafen - beeldbank Amsterdam 
Nieuwbouw Amsterdam Zuidoost - Foto door Gerben Helleman

1 opmerking:

  1. Hierop van mijn kant twee reacties. Allereerst de sloop. Ik kan me levendig voorstellen dat het neerhalen van de flats ruim 20 jaar geleden een uiterste poging was om de wijk weer terug te veroveren. Dat gebeurde na de Tweede Wereldoorlog overigens niet alleen in de Bijlmer maar ook in andere delen van Amsterdam, zoals de eind 19e/vroeg 20e eeuwse blokken binnen de Ring (Schaeffer!). Dat was kortom geen unieke handelswijze in die tijd. Ik meen dat we met de kennis van nu tot een dergelijke sloop niet meer zouden besluiten. We hebben andere methodes om de veiligheid op peil te houden, zoals cameratoezicht en het benoemen van risicogebieden waar de politie extra bevoegdheden heeft. We hebben maatregelen als Zoeklicht en Doorzon om onrechtmatige bewoning te onderzoeken. We hebben de Kansrijk-aanpak die armoede achter de voordeur aanpakt. En er is ten slotte een bestuurslaag die dichter op de materie zit. Toen de Zeedijk werd schoongeveegd halverwege de tachtiger jaren was dat vanuit het algemeen belang van de stad te billijken. Immers veel ondernemers en bewoners hadden aanzienlijke schade van de junks in de binnenstad. Maar dat nadeel zou in deze tijd nooit meer zo eenzijdig worden afgewenteld op een ander Amsterdams gebied met de komst van de deelraden. Een ander aspect zijn de kosten die gepaard gingen met de vernieuwing. Dat grote geld is niet meer in die mate beschikbaar.

    Een andere bespiegeling betreft de gehaalde doelstellingen van de vernieuwing. In mijn optiek worden allerlei gemonitorde cijfers (zoals onderwijs en inkomen) nu gezien in het licht van beoogde effecten. Maar zover strekte de polsstok niet. De ingreep had tot doel (1) het verbeteren van de woningmarktpositie, (2) verhoging van de arbeidsparticipatie en (3) versterking van stedelijk leven door meer bedrijvigheid en culturele voorzieningen. Niets minder, maar ook niets meer.

    Als je de periode 1987-1992 als ijkpunt neemt dan kun je overigens ruim 20 jaar na dato op de drie aspecten zowel kwalitatief als kwantitatief verbeterpunten herkennen. Maar is het genoeg en zijn we daar mee tevreden? Daar kun je politiek het glas half vol mee schenken maar als je het wilt objectiveren dan zijn onderzoekers weer aan zet.

    BeantwoordenVerwijderen