maandag 14 januari 2013

Een verschil van dag en nacht
























De stad in de nacht. Een ander ritme, andere mensen, andere omgangsvormen. Gek genoeg is het nachtleven in steden nog een onontgonnen terrein in stedelijk onderzoek. Het onlangs uitgekomen boek ‘Amsterdam Noir’ wekt daardoor bij voorbaat al nieuwsgierigheid op. Een bundeling van korte artikelen, geschreven door medewerkers van de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam, over de donkere kanten van de hoofdstad. Daarbij geven ze ook een voorzichtig kijkje in het nachtleven.

Als er een lacune is binnen het stedelijk onderzoek dan is het wel de stad na zonsondergang. En als er al aandacht voor is dan gaat het veelal over criminaliteit. Stadssocioloog Lodewijk Brunt maakte mij daarvan bewust toen ik enkele jaren geleden zijn boek ‘Stad’ (1996) las. Een boek dat over de stad als ontmoetingsplaats gaat met zowel zijn zonnige kanten als schaduwzijden. Dit levert schitterende hoofdstukken op over stedelijke omgangsvormen, stedelijke intimiteit en tolerantie, maar ook over stedelijke criminaliteit, overbevolking en de angst voor besmettelijke ziekten. Een heerlijk boek door de schrijfstijl en de uitgebalanceerde combinatie van theorie, toepast onderzoek en praktijkverhalen.

Eén hoofdstuk gaat in op de stedelijke nacht. En dan vooral het diëcentrisme in de sociologie: de eenzijdige nadruk van de sociale wetenschappen op het menselijk bestaan overdag. Wat er zich ’s nachts afspeelt in de stad is voor velen een blinde vlek. Terwijl in de nacht de productie van noodzakelijke goederen gewoon doorgaat (bakkerij, fabrieken), allerlei vormen van dienstverlening nog steeds worden aangeboden (de hulpdiensten, knooppunten van transport) en de (social) mediawereld boodschappen blijft uitzenden. Toegegeven, de stad draait wel op een lager pitje, maar de nacht is ook de tijd voor opwinding en vermaak. De recreatieve stad draait dan juist op volle toeren. En dat zorgt, in combinatie met de duisternis, voor hele andere omgangsvormen.

Brunt citeert hierbij Erving Goffman, de Amerikaanse stadsetnograaf, die met behulp van een eigenhandig ontwikkeld begrippenapparaat de vluchtige ontmoetingen van stadsbewoners in openbare ruimten heeft beschreven. Een centraal begrip in zijn werk is ‘civil inattention’. Deze ‘fatsoenlijke onoplettendheid’ is een manier om te laten merken dat je de andere aanwezigen in de openbare ruimte hebt gezien, maar dat je geen bijzondere belangstelling voor hen koestert. De manier, volgens Goffman, om je als stedeling staande te houden in een verwarrende, jachtige omgeving met contrasterende indrukken van zowel de gebouwde omgeving als haar heterogene bevolking. Het draait bij Goffman om kijken en bekeken worden, om de waarneming van subtiele tekens en gebaren. Dat ‘zicht’ wordt echter wel verduisterd of verdoezeld door de stedelijke nacht, zoals Brunt terecht stelt. Nachtbrakers zijn dan ook meer op hun hoede tegenover vreemden die zij op straat tegenkomen dan mensen die zich overdag in de stad begeven. ‘Fatsoenlijke onoplettendheid’ is dan een riskante strategie, schrijft Brunt. Het ligt eerder voor de hand dat wantrouwen en angst tot vermijdingsgedrag leiden. Murray Melbin, die in 1987 een boek over de kolonisering van de nacht schreef, is het hier mee eens, maar laat ook een schijnbaar tegengestelde consequentie zien. Als namelijk eenmaal kan worden vastgesteld dat de medegebruiker van de stedelijke nacht te vertrouwen is, ontstaan gevoelens van verbondenheid en solidariteit die veel sterker zijn dan onder vreemden die elkaar overdag ontmoeten. “If not foe, then friend.”

Deze intrigerende omgangsvormen in de geleefde stad komen in ‘Amsterdam Noir’ helaas ook te weinig aan de orde. Aan de orde komen: onveiligheidsgevoelens, psychische stoornissen, misdaad, galgenvelden, verlaten bedrijventerreinen, stadsverlichting, logistiek (?!?) en begraafplaatsen. Men bespreekt daarbij meer de donkere kant van de (geplande) stad dan het nachtleven. De focus op ruimtelijke eenheden en cijfers is niet zo gek, daar de auteurs stedenbouwkundigen, landschapsontwerpers en planologen zijn. Een snufje meer stadsociologie had hier en daar echter wel gemogen. Vooral in het eerste hoofdstuk over de onveiligheidgevoelens in Nieuw-West viert het fysiek determinisme hoogtij. De oplossing voor de slechte statistieken op onveiligheid zijn eendimensionaal: sloop-nieuwbouw en beter beheer van de openbare ruimte. Om vervolgens daar nog een schepje bovenop te doen: “Met stedenbouwkundige verbeteringen alleen kom je er niet. Als de sociale opbouw van Nieuw-West gelijk blijft, is het vechten tegen de bierkaai. […] Nieuw-West loopt risico door het hoge percentage sociale woningbouw: krappe woningen, veel werklozen en minimumhuishoudens.” Geen woord over onderwijs, werkgelegenheid, integratiebeleid, jongerenwerk, politie-inzet, etc. Verbazingwekkend.

Gelukkig zijn er ook positieve uitzonderingen. Zo geven de foto-essays een mooi beeld van het nachtelijk leven in Amsterdam en het verhaal over ‘de stad als verleidelijk monster’ is een mooie sociologische beschouwing over omgangsvormen, waarbij parallellen te trekken zijn met de eerder genoemde Goffman. “De stad is een bombardement van indrukken, van signalen waarop al dan niet gereageerd moet worden. […] Zonder dat je het je bewust bent scannen je ogen voortdurend alle voorbijgangers en je hersens beoordelen de informatie.” Het gaat met andere woorden om de kunst van het negeren: “van iedereen waarvan je hersens beslissen dat je er niets aan hebt en niets van te vrezen hebt, een kunst die elke stadsbewoner moet beheersen, anders wordt hij gek.” Ook hier gaan we, Brunt had ons al gewaarschuwd, niet de avond in. Daarvoor moet je naar bladzijde 88. Hier staat een korte beschouwing over het uitgangsleven in de hoofdstad. De disco’s en clubs moeten het tegenwoordig afleggen tegen de spontane feestjes waarbij originaliteit en exclusiviteit hoog in het vaandel staan. “De feestende mens heeft blijkbaar steeds meer behoefte aan gelijkgezinden om de nacht door te brengen.” Waarbij er steeds meer wordt gekozen voor een decentrale ligging. “Het lijkt zelfs of de nachtelijke mens de planoloog telkens een stapje voor is. Hij ontdekt steeds weer stukken onontdekte stad. […] Waar regels geen ruimte bieden, wordt op een vriendelijke manier buiten de regels omgeleefd.” En juist daar komt de relatie tussen de geplande en geleefde stad weer mooi om de hoek kijken. Treffend samengevat met deze zelfreflectie van een van de auteurs: “Misschien moeten wij als ambtenaren ons eens op de bol krabben en dit soort initiatieven wat flexibiliteit bieden.” Of zoals Brunt het beschrijft: “De stedelijke openbaarheid is het resultaat van een onoplosbare spanningen tussen tegengestelde bewegingen en strevingen en is dus per definitie onvolmaakt en onbestemd. Dat maakt het voor onderzoekers en zeker ook bestuurders, planologen, stedebouwers en anderen, moeilijk – misschien zelfs onmogelijk – er greep op te krijgen.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen