donderdag 21 september 2017

Stadswijken: de noodzaak van precisie (deel 2: de wijkaanpak)

"Gemengde buurten", "evenwichtige wijken", "ongedeelde stad", "buurten in balans". Het zijn van die uitspraken die lekker in de mond liggen en veel gebruikt worden. Maar hoe reëel zijn ze? En zijn het logische en haalbare idealen? In een eerder artikel keken we kritisch naar de probleemanalyse van wijken. Na een nauwkeurige probleemanalyse is het van belang om de juiste oplossingsstrategie te bepalen. Men kan daarbij - afhankelijk van de problematiek - bijvoorbeeld kiezen voor een wijkaanpak en/of een op het individu gerichte werkwijze. En men kan kiezen tussen fysieke en/of sociale maatregelen.

In dit artikel (ook beschikbaar als pdf-bestand) kijken we naar de fysieke wijkaanpak en dan vooral naar de strategieën die zich richten op spreiding, menging, verdunning en/of verplaatsing. Door middel van sloop en nieuwbouw wordt dan getracht om de bevolkingssamenstelling te beïnvloeden en daarmee de problemen in de wijk op te lossen. Daarbij spelen vaak drie motieven een rol (Buys, 1997; Kleinhans e.a., 2000; Helleman e.a., 2001):
  1. Sociaal-economisch
  2. Sociaal-cultureel
  3. Ruimtelijk-economisch
Op basis van deze driedeling behandel ik hier de belangrijkste aannames, onderzoeksresultaten en praktijkervaringen. Daarbij zullen we zien dat de relatie tussen probleem en oplossing niet altijd even duidelijk is.

1. Sociaal-economisch
In het vorige artikel zagen we al dat wijken vaak gerangschikt worden op basis van het aandeel huurwoningen of het aandeel lagere inkomens. Veelal vergezeld van de gedachte dat een eenzijdige woningvoorraad en daarmee bevolkingssamenstelling een negatieve invloed heeft op de sociaal-economische ontwikkeling (opleiding, werk, inkomen). De oplossingsrichting die hier vaak uit voortvloeit, is om de woningvoorraad en daarmee de bevolkingssamenstelling te differentiëren zodat er minder kansarmoede en segregatie naar inkomen is. Statistisch gezien klopt het dat er na het slopen van sociale huurwoningen en het bouwen van koopwoningen minder lagere inkomens in een wijk zijn. Op stedelijk niveau en vooral op individueel niveau verandert er echter niet veel. Het is immers een vorm van verdunnen en verplaatsen. Ook wel bekend als het waterbed-effect (Ouwehand, 1999) waarbij bepaalde bewoners door middel van ruimtelijke ingrepen verplaatst worden en de individuele situatie (en eventuele problemen) op de nieuwe locatie gelijk blijft.

Bij de bespreking van de wijkanalyse zagen we dat de invloed van de wijk op de persoonlijke ontwikkeling gering is. Toch wordt de mengingsgedachte nog met enige regelmaat in verband gebracht met armoedebestrijding. Met meer hogere inkomens kunnen - zo is de gedachte - buurteffecten of een armoedecultuur worden doorbroken. Daarnaast verwachten veel beleidsmakers dat kansarmen beter af zijn met welvarendere buurtgenoten. Hogere inkomens zouden een rolmodelfunctie of een helpende hand kunnen vervullen ten opzichte van de 'sociaal zwakkeren'. Dat blijkt niet het geval (Kleinhans e.a., 2000; Van Campen, 2011; Van Ham, 2016; Nieuwenhuis e.a., 2017; Doff & Van der Sluis, 2017). Er vindt namelijk over het algemeen weinig contact plaats tussen de mensen uit de nieuwbouw en de oudbouw. Om kort te gaan: gemengd wonen leidt niet tot gemengd leven. De interactie tussen maatschappelijk 'kwetsbare' groepen en meer 'succesvolle' bewoners blijft vaak uit vanwege uiteenlopende status, interesses, belangen en oriëntaties. De kans op interactie en sociale ondersteuning is groter, wanneer het verschil in welstand kleiner is. Maar dan nog moet in ogenschouw worden genomen dat de samenstelling en rijkheid van het sociale netwerk van bewoners bepaald wordt door opleiding, familie en werk. De wijk is maar van betrekkelijke betekenis.

Het algemene beeld dat naar voren komt uit in Nederland verricht onderzoek is dat het differentiëren van bevolkingsgroepen van weinig waarde is geweest voor de sociaal-economische doelstellingen (Musterd e.a., 2015; Nieuwenhuis e.a., 2017; Kleinhans e.a., 2000; Van Ham e.a., 2016). De herstructurering in het Rotterdamse Hoogvliet heeft bijvoorbeeld relatief weinig inwoners opgestuwd op de maatschappelijke ladder (Veldboer e.a., 2007). Wat eigenlijk ook logisch is. Ruimtelijke segregatie is een symptoom en niet de oorzaak van armoede en inkomensongelijkheid. Het doel van beleid zou dan ook niet het bestrijden van segregatie moeten zijn, maar het bestrijden van armoede (Van Ham e.a., 2016). Dit kan door een op individuen of huishoudens toegespitst onderwijs-, arbeidsmarkt- en/of welzijnaanpak.
Je zou daarbij zelfs kunnen stellen dat een bepaalde mate van concentratie van lagere inkomens een voordeel is voor deze aanpak. Door de concentratie zijn financiële dienstverlening en andere vormen van maatschappelijke ondersteuning makkelijker en efficiënter te organiseren. Je moet dan echter als gemeente wel afstand durven te nemen van het gelijkheidsprincipe door het voorzieningenpakket (wijkbibliotheek, buurthuis, avondschool, voedselbank) aan te passen aan de functie van de wijk.



2. Sociaal-cultureel
De sociaal-culturele doelstellingen van herstructurering richten zich op de sociale samenhang en de integratie van bewoners.

Sociale samenhang
Een belangrijk voordeel van een meer gedifferentieerde woningvoorraad in een wijk is dat sociale stijgers - die dat willen - binnen hun wijk kunnen doorstromen. In het verleden werd gesteld dat de instroom van hogere inkomens (of hoger opgeleiden) ook de sociale samenhang versterkt. We zagen net al dat in (van bovenaf opgelegde) gemengde wijken niet meer contacten of onderlinge banden ontstaan tussen verschillende bevolkingsgroepen (Kleinhans e.a., 2000; Bolt & Torrance, 2005; Ouwehand e.a., 2006; Musterd e.a., 2015). De sociale interactie is gering omdat huishoudens steeds meer hun sociale netwerk en leven buiten de wijk hebben georganiseerd. Daarnaast zijn de sociale en cultuurverschillen soms te groot. Als er al sprake is van contact tussen de bewoners van de oud- en nieuwbouw dan is deze veelal binnen de eigen groep wat betreft etniciteit en/of leefstijl. Het burencontact en de bereidheid om hulp te vragen of te verlenen is dan ook hoger onder gelijkgezinden en gelijkgestemden. Bijvoorbeeld autochtonen die binnen hun nieuwbouwcomplex contact hebben met andere autochtonen (Duyvendak, 1999; Bolt & Torrance, 2005; Veldboer e.a., 2007; Musterd e.a., 2015; Nio e.a., 2016; Doff & Van der Sluis, 2017).
En dat is logisch, want uit onderzoek blijkt dat de wijk en de buurt geen logische schaalniveaus zijn voor sociale samenhang (Duyvendak, 1999; Kleinhans e.a., 2000; Bolt & Torrance, 2005). Het belang van de buurt of wijk is in de loop der jaren alleen maar afgenomen, hoewel dat voor lagere inkomens iets minder geldt. In sociaal opzicht zijn in ieder geval het woonblok, het portiek en de straat veel betekenisvoller. Het slopen van een complex en uitplaatsen van bewoners kan in die zin dus juist de band tussen bewoners verstoren en voor sociale polarisatie zorgen, omdat het veelal ook voor een ruimtelijke scheiding zorgt tussen oud- en nieuwbouw (Kleinhans e.a., 2000; De Kam & Needham, 2003; Kleinhans, 2005; Musterd e.a., 2015). Zo zijn er door de herstructurering in Nieuw-West (Amsterdam) nieuwe scheidslijnen ontstaan (of zichtbaar geworden) tussen kopers en huurders en tussen de oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers. Nederlanders in de oudbouw voelen zich daarbij bedreigd door het succes van tweede en derde generatie migranten. En in de overgebleven goedkope, sociale huurwoningen ontstaat een toenemende concentratie van huishoudens met geen of lage inkomens (Nio e.a., 2016). Het juiste schaalniveau is hier dus van belang (en de sociaal-economische en sociaal-culturele afstand tot elkaar).

Integratie
Herstructurering heeft ook regelmatig de impliciete doelstelling om de integratie van migranten te bevorderen. Eerder zagen we echter al dat de invloed van het ruimtelijke geconcentreerd wonen van allochtonen weinig tot geen invloed heeft op hun taalbeheersing, het hebben van werk of de culturele oriëntatie. Het gesegregeerd wonen heeft alleen in beperkte mate invloed op het contact met autochtonen. De vraag is of je dit kan verbeteren door het aanpassen van de woningvoorraad. Het toevoegen van duurdere woningen hoeft immers niet te zorgen voor de instroom van autochtonen. Er zijn genoeg sociale stijgers binnen de wijk met een migratieverleden die daar ook interesse in hebben. Daarnaast geldt ook hier dat gemengd wonen niet automatisch tot gemengd leven leidt.

Het is echter wel wenselijk dat personen met diverse leefstijlen en culturele achtergronden elkaar (kunnen) treffen. Want onbekend, maakt vaak onbemind. Die (terloopse) ontmoetingen kunnen echter ook buiten de woningvoorraad en op andere schaalniveaus worden georganiseerd. Door bijvoorbeeld publieke ruimten te realiseren die voor een breed publiek interessant, aantrekkelijk en toegankelijk zijn. Ruimten waar verschillende groepen komen met een gedeeld doel en belang, zoals op scholen, op sportverenigingen, in buurttuinen en in supermarkten. Maar het kan ook worden gerealiseerd door het goed inrichten van de openbare ruimte, het creëren van functiemenging, het realiseren van een divers aanbod aan voorzieningen en het organiseren van festivals. Zo ontstaan er ontmoetingsplekken en -momenten waar diverse bevolkingsgroepen elkaar tegen kunnen komen (Hajer & Reijndorp, 2001; Ouwehand e.a., 2006; Van der Zwaard, 2010; Helleman, 2013; Doff & Van der Sluis, 2017).

3. Ruimtelijk-economisch
Naast de sociaal-economische en sociaal-culturele motieven om de woningvoorraad te vervangen, zijn er logischerwijs ook volkshuisvestelijke redenen: een slechte woningmarktpositie (slecht verhuurbaar, leegstand) en/of de bouwtechnische kwaliteit (te klein, gehorig, slecht geïsoleerd). In het verleden kwam dan vaak de sloophamer er aan te pas, maar tegenwoordig wordt er vaak eerst gekeken of het complex met behulp van grootschalig onderhoud of renovatie op het niveau van vandaag of morgen is te krijgen. Waar ook voor wordt gekozen, er ontstaat een vernieuwde voorraad waardoor de woonsituatie van veel bewoners verbeterd (Kleinhans, 2005).

Naast bovenstaande argumenten worden betaalbare huurwoningen soms ook gesloopt omdat er een tekort is aan koopwoningen. Als dit gepaard gaat met een overschot aan betaalbare huurwoningen en een gebrek aan inbreidingslocaties (in de wijk óf elders in de stad) dan is sloop-nieuwbouw inderdaad een optie. Zo komen er meer koopwoningen die bijvoorbeeld interessant zijn voor sociale stijgers die binnen de wijk willen verhuizen. Voor wie deze strategie wil toepassen in stadswijken, is het van belang om te weten dat er binnen de islam bepaalde stromingen zijn die het hebben van een hypotheek verbieden, omdat rentedragende leningen niet zijn toegestaan. Grotere particuliere huurwoningen (in plaats van koopwoningen) zijn dan ook nodig voor wie de sociale stijgers in de wijk wil behouden.

Vanuit ruimtelijk-economisch oogpunt heeft het aantrekken en vasthouden van hogere inkomens nog een voordeel: het brengt meer koopkracht naar de wijk en dit kan voor meer draagvlak zorgen voor de huidige of nieuwe buurtvoorzieningen. Daarbij is het vooral opletten dat de bestaande voorzieningen niet volledig worden verdrongen door voorzieningen voor de middenklasse (Helleman, 2014; Doff & Van der Sluis, 2017).

Als de sociale mobielen door middel van nieuwbouw voor de stad worden behouden, kan dat overigens ook een positieve invloed hebben op stedelijke voorzieningen (kunst, cultuur, evenementen) en daarmee met het aantrekken van hoogwaardige, kennisintensieve bedrijven (Buys, 1997; Ouwehand e.a., 2006). De invloed op buurt- of wijkvoorzieningen is waarschijnlijk kleiner omdat tweeverdieners veelal hun boodschappen bestellen via internet of naar de grote supermarkt elders in de stad gaan.

Tenslotte kunnen grootschalige, fysieke ingrepen de status en reputatie van een buurt(je) verbeteren (Zwiers e.a., 2017). De fysieke kwaliteit en uitstraling krijgen immers een positieve impuls. Voor vooral (commerciële) vastgoedbezitters kan dat interessant zijn. Het effect van enkele nieuwbouwcomplexen op de rest van de buurt en wijk is echter over het algemeen gering in grote stadswijken. Het imago van de wijk en de grondwaarde zullen dan ook niet meteen drastisch wijzigen.



Tot slot
Deze twee artikelen zijn niet bedoeld om de ogen te sluiten voor de problemen die er in bepaalde stadswijken zijn, zoals armoede, vijandige straatculturen en radicalisering. Wel wil ik waken voor te hoge verwachtingen van het mengen van wijken. De genoemde problemen los je namelijk niet op door het differentiëren van de woningvoorraad of de bevolkingssamenstelling. De gedachte dat je met fysieke ingrepen de maatschappij kan vormgeven en sociale problemen kan oplossen, moeten we achter ons laten.

De fysieke omgeving is niet bepalend voor de menselijke toestand of haar gedrag. Tegelijkertijd is deze ook niet betekenisloos. Losliggende stoeptegels, verwaarloosde tuinen, slecht onderhouden portieken, niet werkende straatverlichting, kapot straatmeubilair en vervuilde bergingen kunnen ongewenst gedrag uitlokken. Dat is echter wat anders dan dat een concentratie van goedkope, slecht geïsoleerde sociale huurwoningen voor sociaal-economische of sociaal-culturele problemen zorgt.
We moeten met andere woorden met meer precisie kijken naar de relatie tussen de probleemanalyse en de voorgestelde oplossingsrichtingen. De hoofdvragen die daarbij spelen: richt je je op het individu of op de wijk? Ga je aan de slag met armoedebestrijding (scholing, werk) of met het vernieuwen van de woningvoorraad (meer gemengde buurten)? En gaat het om de stenen of om de mensen?

Mijn pleidooi is om als professionals iedere keer met een frisse blik naar een wijk te kijken. Zonder vooroordelen en onze eigen woonvoorkeuren. Het recept van meer menging moeten we daarbij niet toepassen omdat ons dat is aangeleerd of omdat we dat al jaren doen, maar alleen als er daadwerkelijk behoefte is aan andere woningen.

Je bent dus als professional niet bij voorbaat voor of tegen meer menging, maar je bepaalt de gewenste strategie op basis van de functie van een wijk en de leefwereld van de bewoners. Benoem daarom zorgvuldig samen met de bewoners wat de kansen en bedreigingen zijn en maak op basis daarvan je beleid. Iedere wijk is daarbij uniek. Dat is een open deur van jewelste, maar wel een deur die nog te vaak dicht blijft. Zet u hem op een kier?

Beide artikelen (ook in pdf-bestand beschikbaar) kwamen tot stand na een uitgebreide documentenanalyse ter voorbereiding voor een essay in de bundel 'Ruimte voor een stad in balans' in opdracht van Platform 31 en de gemeente Rotterdam.

Foto's: Gerben Helleman

Geraadpleegde literatuur en leestips
Gideon Bolt (2005) Stedelijke herstructurering en sociale cohesie. Utrecht: DGW/NETHUR nummer 30.

André Buys (1997) De ideale mix? Een verkenning van visies, feiten en verwachtingen ten aanzien van de bevolkingssamenstelling van buurten en wijken. Amsterdam: RIGO Research en advies BV.

José van Campen, Pim Hogenboom, Rogier Noyon en André Ouwehand (2011)
Vooruit met de wijk. Essaybundel Platform Corpovenista.

Jutta Chorus (2009) Afri; leven in een migrantenwijk. Amsterdam: Atlas-contact.

Els DeSmet & Annemarie Sour (2011) YU[E]P; ambitieuze jonge vrouwen. De opkomst van een nieuwe middenklasse op zuid. Rotterdam: post editions.

Els Desmet en Annemarie Sour (2012) Succesvolle Haagse YUEP-vrouwen. Den Haag.

Deuten, Jochum & Paul Doevendans (2012) Wat werkt in de wijk. In: Rooilijn, jaargang 45, nummer 4.

Divercities (2013) Hyper-diversity: A New Perspective on Urban Diversity. POLICY BRIEF  NO. 1

Divercities (2017) Governing urban diversity. http://www.urbandiversities.eu

Wenda Doff en Mariska van der Sluis (2017) De invloed van sterke schouders; een literatuurstudie naar mogelijke effecten van het Rotterdamse woonbeleid. Kenniswerkplaats Leefbare wijken.

Jan Willem Duyvendak (1999) Zeven mythen over de wijkaanpak. In: De gedroomde wijk, essaydebatten over de multiculturele samenleving. Utrecht: FORUM.

Dominique Elshout (2006) Onze wijk, een volksbuurt in de vuurlinie. Amsterdam: De Geus.

Wouter van Gent, Sako Musterd en Wim Ostendorf (2007) Van probleemwijk naar prachtwijk? Over de problemen van een wijkgerichte aanpak. In: Tijdschrift voor de Volkshuisvesting 4.

Maarten Hajer & Arnold Reijndorp (2001) Op zoek naar nieuw publiek domein. Rotterdam: NAi Uitgevers.

Maarten van Ham, Tiit Tammaru, Elise de Vuijst & Merle Zwiers (2016) Spatial segregation and socio-economic mobility in European cities. Working paper. IZA DP No. 10277.

Gerben Helleman, Reinout Kleinhans en André Ouwehand (2001) Sloop en opbouw van de wijk: herstructurering als sociale interventie. Utrecht: NIZW.

Gerben Helleman (2003) Beleidsontwikkelingen en dilemma’s in de stedelijke vernieuwing. In: Handboek Stedelijke Management.

Gerben Helleman (2011) To be or not to be? Blog Stadslente.

Gerben Helleman (2014) De neergang en opkomst van lokale winkelstraten. Blog Stadslente.

Gerben Helleman (2015) Arrival cities: the need for precision. Blog Urban Springtime.

Gerben Helleman (2016) Op zoek naar nieuwe verhoudingen: over de veranderende relatie tussen de geplande en geleefde stad. Den Haag: Haagse Hogeschool (lectoraat Grootstedelijke Ontwikkeling).

Jan Dirk de Jong (2007) Kapot moeilijk; Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van 'Marokkaanse' jongens. Amsterdam: AUP.

George de Kam & Barrie Needham (2003) Een hele opgave: over sociale cohesie als motief bij stedelijke herstructurering. Nijmegen: DGW/NETHUR nummer 24.

Reinout Kleinhans, Lex Veldboer en Jan Willem Duyvendak (2000) Integratie door differentiatie? Een onderzoek naar de sociale effecten van gemengd bouwen. Den Haag: Ministerie van VROM.

Reinout Kleinhans (2002) De vertrekkers zijn voldaan. Herstructurering en gedwongen verhuizen. In: Tijdschrift voor de Sociale Sector, jaargang 56, nr. 11, pp. 18-21.

Reinout Kleinhans (2005) Sociale implicaties van herstructurering en herhuisvesting. Delft: DUP Science.

Diederick Klein Kranenburg (2013) 'Samen voor ons eigen'; de geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt, de Haagse Schilderswijk 1920-1985. Hilversum: Verloren.
 
Jeanet Kullberg,Miranda Vervoort en Jaco Dagevos (2009) Goede buren kun je niet kopen: over de woonconcentratie en woonpositie van niet-westerse allochtonen in Nederland. Den Haag: SCP.

Wenda van der Laan Bouma-Doff (2005) De buurt als belemmering? Van Gorcum.

Wenda van der Laan Bouma-Doff en Marco van der Land (2009) Keuzevrijheid op de woningmarkt: weinig te kiezen, veel te verliezen. In: Sako Musterd en Wim Ostendorf, Problemen in wijken of probleemwijken? Assen: Van Gorcum.

Eildert Mulder (2001) Zwijgende portieken van de Haagse Schilderswijk. Amsterdam: Bulaaq.

Klaas Mulder (2010) Handboek voor waarzeggers; kennis en besluitvorming in de volkshuisvesting. Nestas communicatie.

Sako Musterd en Wim Ostendorf (2009) Problemen in wijken of probleemwijken? Assen: Van Gorcum.

Sako Musterd, Annalies Teernstra, Wouter van Gent en Thea Dukes (2015) De buurt als jas; dynamische huishoudens in een veranderlijke stad. Amsterdam: AUP.

Jaap Nieuwenhuis, Maarten van Ham, Rongqin Yu, Susan Branje, Wim Meeus en Pieter Hooimeijer (2017) Being Poorer Than the Rest of the Neighborhood: Relative Deprivation and Problem Behavior of Youth. In: Journal of Youth and Adolescence.

Ivan Nio, Arnold Reijndorp, Wouter Veldhuis, Anita Blom, Hein Coumou (2016) Nieuw-West: parkstad of stadswijk. De vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden Amsterdam. Haarlem: Trancity.

André Ouwehand (1999) De vernieuwing halverwege. Evaluatie vernieuwing Bijlmermeer 1992-1999. Amsterdam: Projectbureau Vernieuwing Bijlmermeer.

André Ouwehand, Reinout Kleinhans, Wenda van der Laan Bouma-Doff en Marco van der Land (2006) Een stap vooruit? De pretenties van fysiek voor sociaal bij herstructurering. Delft: Onderzoeksinstituut OTB, TU Delft.

Roderik Ponds, Gerard Marlet, Clemens van Woerkens en Maarten van Ham (2015) Maten van segregatie: achtergronden en verschillen. Utrecht: Atlas voor gemeenten.

Hugo Priemus (1997) De stadsvernieuwing is dood; leve de stedelijke vernieuwing! In: Openbare Uitgaven, nr. 4, pp. 152-159.

Arnold Reijndorp (2004) Stadswijk; stedenbouw en dagelijks leven. Rotterdam: NAi Uitgevers.

Doug Saunders (2010) Arrival City; how the largest migration in history is reshaping our world. Windmill books.

Matthijs Uyterlinde, Radboud Engbersen en Vasco Lub (2007) Contactleggingskunde. In: ‘De Mix-factor; integratie en segregatie in Nederland’, onder redactie van Lex Veldboer, Jan Willem Duyvendak en Carolien Bouw. Uitgeverij Boom.

Justus Uitermark en Jan Willem Duyvendak  (2005)  Over  de  schouders  van  bestuurders  en  de  ruggen  van  bewoners.  In: Ruimte en Debat, 2005, nr. 5.  Den Haag: Ruimtelijk Planbureau.

Lex Veldboer, Jan Willem Duyvendak, Reinout Kleinhans en Nanne Boonstra (2007). In beweging brengen en richting geven. Herstructurering en sociale stijging in Hoogvliet. Hoogvliet: Plusprint.

Visitatiecommissie Wijkenaanpak (2011) Toekomst van de wijkenaanpak: doorzetten en loslaten. Den Haag.

Werken aan de Stad (2009) Wijkanalyse en voorstellen bewonersparticipatie Schilderswijk. Rotterdam.

Joke van der Zwaard (2010) Scènes in de copycorner: van vluchtige ontmoetingen naar publieke vertrouwdheid. Amsterdam: SUN Trancity.

Maarten Zeegers (2016) Ik was een van hen; drie jaar undercover onder moslims. Amsterdam: Podium.

Merle Zwiers, Maarten van Ham en Reinout Kleinhans (2017) The effects of Physical Restructurering on the Socioeconomic Status of Neighbourhoods: Selective Migration and Upgrading. IZA Institute of Labor Economics.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten