zondag 30 september 2012

Tweedehands steden


Hoe moeten we binnen onze steden omgaan met de crisis? Het is ondertussen al zo vaak onderwerp geweest van essays, discussieplatforms en congressen dat we kunnen vaststellen dat daar nog wél een markt voor is. Op de ‘Urbanism Week’ van de TU Delft deden architecten, stedenbouwkundigen en planners vorige week een poging dit vraagstuk te ontrafelen. Het herbestemmen van bestaande gebouwen en plekken was daarbij het meest gegeven antwoord.

In het werkelijk schitterende onderkomen van de faculteit Bouwkunde organiseerde Polis, het platform for Urbanism, een 2-daags symposium over ‘Secondhand cities’ met als intrigerende ondertitel ‘re-thinking practice in times of standstill’. In minder dan acht uur passeerden maar liefst twaalf lezingen de revue van onder andere John Habraken, Joan Busquets, Frits van Dongen en Wouter Vanstiphout. Niet de minste, maar helaas werden de verwachtingen niet waargemaakt. Rudy Stroink zorgde gelukkig wel voor wat scherpte.
Dat het geheel wat tegenviel had voor een deel te maken met de technische mankementjes, de akoestiek en de oncomfortabele trap die als zitplek diende. Ook de presentatietechnieken (met de rug naar het publiek, slecht articuleren, teveel sheets) lieten soms te wensen over en daarnaast was het te vaak zoeken naar enige vorm van verhaallijn. Als de inhoud dit compenseert is al het voortgaande van ondergeschikt belang. Maar daar wringt nu net de schoen. Wat betreft de conclusies en leerpunten waren er flinke overeenkomsten (lees: herhalingen) en tegelijkertijd was er een gebrek aan nieuwe inzichten. Wouter Vanstiphout liet nog wel een aantal interessante trends zien rondom ‘new towns’, maar voor de rest bleef het toch een beetje hangen bij één boodschap. Samengevat: de rol van de architect en stedenbouwer is – crisis of niet - een andere dan vijftig jaar geleden. De tijd van moderne, grootschalige planning van bovenaf (a la Corbusier) is in Nederland voorbij. Er zijn geen weilanden meer over. De opgave ligt binnen de bestaande stedelijke netwerken, waarbij de menselijke maat leidend moet zijn. Herbestemmen is daarbij het toverwoord. Het herbestemmen van gebouwen en plekken in de openbare ruimte. Dat betekent dat we moeten werken vanuit een bestaande situatie en dat we dus meer dan ooit rekenschap moeten houden met de geschiedenis en de context van een plek, dat de vakwereld in interactie moet met de gebruikers en dat er moet worden geschakeld tussen de verschillende schaalniveaus (gebouw-buurt-wijk-stad-regio), tijdshorizonten (korte-lange termijn) en domeinen (gebouwen, mensen, water, infrastructuur). Of om in het thema van dit blog te blijven: wie zich bezighoudt met steden zal zowel de geplande stad als de geleefde stad in ogenschouw moeten nemen en deze met elkaar proberen te verbinden. Helemaal mee eens, maar na bijna acht uur college hoop je toch met wat meer inzichten het pand te verlaten.

Rudy Stroink (TCN), nooit verlegen om een mening of gedurfde uitspraak, was daarbij een prettige uitzondering op de regel. De ontwikkelaar daagde de zaal, met voornamelijk studenten Bouwkunde, uit om in deze tijd van crisis met vernieuwende ideeën te komen. In zijn optiek ontbreekt het op dit moment aan een nieuwe generatie die met een frisse blik aankijkt tegen de veranderende wereld om ons heen.
Zelf had hij een uitgesproken mening hoe we uit de (bouw)crisis kunnen komen.
Ten eerste door simpelweg te accepteren dat die er is, je verlies te nemen en ook niet te verwachten dat enige vorm van grootschalige ontwikkeling nog terug gaat komen. Er zijn in zijn optiek nog teveel ontwikkelaars die denken dat de tijden van de Vinex nog terug gaan komen.
Ten tweede dient er een paradigmashift plaats te vinden binnen de bouwkolom. Elders als volgt door hem verwoord: “De grootste revolutie in het architectonisch denken zal moeten komen van de acceptatie dat we geen gebouwen maar omgevingen, plekken maken. De CIAM was dol op mooie grafische plaatsjes van lege gebouwen zonder mensen. Het design stond boven het gebruik. Het gebruik komt in de komende tijd weer centraal te staan en gebruik gaat meer over de ruimte dan het gebouw.”
En de derde manier om uit de crisis te komen is door simpelweg gebruik te maken van de enorme leegstand van gebouwen. Vijftien procent van de kantoorruimten in Nederland staat leeg. Meer dan zeven miljoen vierkante meter. Daar ligt de opgave voor de bouwwereld. Hier moeten de andere mondiale trends (de stijging van de kosten van grondstoffen, het enorme aantal ZZP-ers, de stijgende populariteit van steden, de inkrimping van de publieke sector en de cruciale rol van de informatietechnologie) vorm krijgen. TCN heeft daarbij een model ontwikkeld dat uitgaat van verbinden-benutten-compenseren-verbeteren (zie ook onderstaande lezing). Dat levert uiteindelijk tal van woningen en werkplekken op in voormalige kantoorpanden. “Op locaties waar je nog niet dood wil worden gevonden, maar waar je wel 300 vierkante meter woonruimte kan kopen voor een zeer goedkope prijs.” Simpelweg omdat TCN ze op dit moment kan opkopen voor circa € 200 per vierkante meter. Stroink noemt dat de oud betonprijs. Vervolgens is het een kwestie van het opnieuw invullen van het complex: “projectontwikkeling met de verfkwast”. Stroink concludeerde dan ook: “Het slechte nieuws is, is dat er meer werk is voor binnenhuisarchitecten dan voor ontwerpers en architecten.” En daarmee ontstond er in die twee dagen toch nog wat opwinding op de faculteit van Bouwkunde.





Geraadpleegde bronnen
R. Stroink (2012) Zomerschool herbestemming. 12-07-2012

R. Stroink (2012) Waar is de avant-garde van deze tijd? TCN. http://www.tcnpp.com/tcncorp/en/founder/2012-09-19

Foto: Dé herbestemming in Nederland: de Selexyx boekenwinkel Maastricht in een verbouwde kerk. Bron foto: http://www.miragebookmark.ch/most-interesting-bookstores.htm

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen